Cluny

De abdij van Cluny: het machtigste klooster van de Middeleeuwen

In het hart van de Bourgogne, te midden van glooiende heuvels en wijngaarden,
liggen de indrukwekkende resten van de abdij van Cluny.
Ooit was dit benedictijnse klooster het spirituele hart van Europa.

Cluny was meer dan een klooster: het was ook een plek van kunst, intellect en macht.
De abdij stond bekend om haar rijke liturgie, haar invloed op kunst en architectuur
en haar rol in de hervorming van het kloosterleven. 

Slechts zo’n 10% van het oorspronkelijke Cluny III is bewaard gebleven: alleen delen van het grote dwarsschip en twee torens.

Ondanks de verwoesting blijft Cluny een indrukwekkende plek.
Bezoekers kunnen de imposante restanten van de abdijkerk, het Palais Gélase en de kloostergebouwen
met de twee markante torens bezichtigen.

Een spiritueel en cultureel machtscentrum in Cluny

Cluny
zicht op de achterzijde van de abdij vanuit de abdijtuin

Gesticht in 910 groeit Cluny uit tot het centrum van een ongekend religieus netwerk van meer dan 1.400 kloosters en priorijen.

Aan het begin van de 12e eeuw telt de orde van Cluny meer dan 10.000 monniken. Voor de Middeleeuwen was dat een ongeëvenaarde organisatie, waarin uniformiteit, discipline en een gezamenlijke liturgie centraal staan.

In alle Cluniacenzer kloosters bevinden zich dezelfde ruimten die noodzakelijk zijn voor het monastieke leven: een kerk, kloostergang, kapittelzaal, refter, slaapzaal, ziekenboeg en de woning van de prior of abt. Daarnaast moeten ook werkplaatsen, tuinen, een watervoorziening, een graanmolen, een meelschuur en voorraadruimten binnen de kloostermuren aanwezig zijn.

Om die eenheid te waarborgen, laat Cluny al vroeg andere kloostergemeenschappen de abdij bezoeken. Tijdens deze rondleidingen dient de moederabdij als voorbeeld voor de inrichting en organisatie van alle Cluniacenzer huizen.

pausen uit de Cluniacenzer kring

Uit Cluny kwamen verschillende pausen voort, onder wie Urbanus II, Gregorius VII en Anacletus II. Tijdens het pontificaat van Urbanus II werd Cluny aangeduid als Lux Mundi – het Licht der Wereld – een eretitel die de uitzonderlijke spirituele en culturele uitstraling van de abdij onderstreept.

Cluny oefende grote invloed uit op verschillende pausen, onder wie Gregorius VII. Daarnaast kwamen pausen als Urbanus II en Anacletus II uit de Cluniacenzer kring. Onder Urbanus II werd Cluny aangeduid als Lux Mundi, het Licht der Wereld.”

De stichting van Cluny (910)

Wanneer in 910 de eerste steen gelegd wordt voor de abdij, is de vallei van de Grosne nog een verlaten landschap, wel stond er al een Karolingische villa. Na de bouw van de abdij mogen de lekendienaren hun huis buiten de muren van de abdij bouwen. Zij werken voor de abdij als bakker, slager, timmerman, kapper, steenhouwer of wever. Hierdoor staan de bewoners van deze huizen onder de bescherming van de abdij, hetgeen in een periode van feodaal geweld heel belangrijk is. De aantrekkingskracht van de abdij geeft voorspoed en rijkdom aan Cluny. 

Wanneer in 910 de eerste steen voor de abdij wordt gelegd, is de vallei van de Grosne nog grotendeels onbewoond. Wel staat er al een Karolingisch landgoed met een villa en een kleine kapel. Na de stichting van de abdij mogen de lekendienaren hun huizen buiten de kloostermuren bouwen. Zij werken voor de monniken als bakker, slager, timmerman, steenhouwer, wever of kapper. In ruil daarvoor genieten zij de bescherming van de abdij, een belangrijk voorrecht in een tijd van feodale twisten en geweld.

de stichtingsakte

De abdij van Cluny werd officieel gesticht op 11 september 910. Dat blijkt uit de oorspronkelijke stichtingsakte, waarvan het origineel wordt bewaard in de Bibliothèque nationale de France. De oorkonde vermeldt dat Willem I van Aquitanië en zijn echtgenote een domein in Bourgogne schonken aan Bernon, abt van Gigny in de Jura, om er een kloostergemeenschap te vestigen. Willem droeg het nieuwe klooster op aan de apostelen Petrus en Paulus en stelde het rechtstreeks onder de bescherming van de paus. Daarmee wilde hij de monniken onafhankelijkheid garanderen tegenover zowel de koninklijke macht als de plaatselijke wereldlijke en kerkelijke machthebbers.

Juist die bepaling was voor de toekomst van Cluny van grote betekenis. De abdij hoefde zich niet ondergeschikt te maken aan een plaatselijke heer of bisschop, maar viel rechtstreeks onder de bescherming van de paus. Deze bijzondere positie vormde een belangrijke basis voor de zelfstandigheid en de groeiende invloed van Cluny in de eeuwen die volgden.

de stad breidt zich uit

De groeiende aantrekkingskracht van de abdij brengt welvaart naar Cluny. Ambachtslieden, handelaren en pelgrims vestigen zich in de omgeving en het dorp groeit uit tot een bloeiende stad. Dat verklaart waarom Cluny nog altijd een opmerkelijk rijk middeleeuws stadsbeeld heeft. De stad bezit zelfs het oudste woonhuis van Frankrijk.

Lekenbroeders met praktische of ambachtelijke taken konden bovendien wonen in het Malgouverne, een gebouwencomplex aan de zuidzijde van het abdijterrein, naast de Tour de Fromage.

Cluny
overblijfselen van het Malgouverne, ooit deel van het abdijcomplex

een revolutionaire stichting

De abdij wordt gesticht door Guillaume I van Aquitanië, hertog van Aquitanië en de graaf van Mâcon. De hertog schenkt zijn Karolingische villa voor de stichting van een abdij. Dit oude landgoed was gelegen aan de rivier de Grosne en omvatte naast de villa een kleine kapel, wijnngaarden, boomgaarden, weilanden, bossen en een mDe abdij wordt gesticht door Guillaume I van Aquitanië, hertog van Aquitanië en graaf van Mâcon. Hij schenkt zijn Karolingische landgoed aan de nieuwe gemeenschap. Het omvat een villa, een kapel, wijngaarden, boomgaarden, weilanden, bossen en een watermolen langs de Grosne.

Guillaume draagt de abdij op aan de heiligen Petrus en Paulus en verleent haar een uitzonderlijke onafhankelijkheid. Cluny wordt rechtstreeks onder de bescherming van de paus geplaatst. Daarbij legt Guillaume ook de paus beperkingen op: deze mag zich niet meester maken van de bezittingen van de abdij en geen abt benoemen zonder instemming van de monnikengemeenschap.

Deze constructie is voor die tijd revolutionair. Cluny is daardoor grotendeels onafhankelijk van zowel wereldlijke machthebbers als de plaatselijke bisschoppen. De abten krijgen een vrijheid die in de tiende eeuw vrijwel ongekend is en die de basis legt voor de spectaculaire groei van de abdij.

Berno en de eerste monniken

Voor de nieuwe stichting vraagt Guillaume aan Berno, abt van Baume-les-Messieurs en Gigny, om de leiding op zich te nemen. Berno arriveert in Cluny met twaalf monniken: zes uit Baume-les-Messieurs en zes uit Gigny. Samen beginnen zij een nieuw klooster volgens de Regel van Benedictus.

Hun leven staat in het teken van gebed, arbeid en gehoorzaamheid. De strikte naleving van de Benedictijnse regel, gecombineerd met een indrukwekkende liturgie, trekt al snel monniken uit heel Europa aan.

De gemeenschap ziet het bovendien als haar taak om zorg te dragen voor de zwaksten in de samenleving: armen, pelgrims, vluchtelingen, wezen, weduwen en andere kwetsbare mensen.

Guillaume van Aquitanië geeft de abdij aan Berno
Cluny
het dorp Beaume-les-Messiers, met links de abdij van Beaume


een geschikte plaats

De meeste middeleeuwse abdijen in Frankrijk liggen afgezonderd, ver van dorpen en steden. Bij de stichting van Cluny in 910 was dat niet anders: de abdij verrees in een dunbevolkte vallei. In de eeuwen daarna groeide juist rond de abdij een stad, waardoor het klooster tegenwoordig midden in Cluny ligt. Dat maakt deze plek zo bijzonder.

De locatie was zorgvuldig gekozen. Cluny lag ver genoeg van de Saône om minder kwetsbaar te zijn voor aanvallen vanaf de rivier, zoals de abdij van Tournus die in de 9e eeuw had ondervonden tijdens de invallen van de Noormannen. Tegelijkertijd bevond de abdij zich in een vruchtbaar gebied met uitgestrekte wijngaarden. De kalkrijke ondergrond leverde bovendien volop bouwsteen, onder meer uit de Carrière de La Lie die eeuwenlang een belangrijke steengroeve voor Cluny was.

Cluny II legt de basis voor een wereldmacht

De eerste abdijkerk, Cluny I (ca. 910–927), is een eenvoudige eenbeukige basiliek, gebouwd volgens het sobere benedictijnse ideaal. Maar de abdij groeit snel. In de tweede helft van de 10e eeuw laat abt Mayeul een veel grotere kerk bouwen: Cluny II (ca. 955–981). 

Deze indrukwekkende kerk krijgt drie beuken, een dubbel transept, een crypte en twee westtorens. Vooral de hoge klokkentoren groeien uit tot het symbool van de macht en uitstraling van de abdij. Cluny II wordt in februari 981 ingewijd door bisschop Hugues van Bourges. 

Onder het bewind van abt Mayeul (954–994) neemt de macht van de abdij dankzij Cluny II aanzienlijk toe. Daarmee is de basis gelegd voor de ongekende bloei van Cluny in de 11e eeuw en uiteindelijk voor de bouw van de nog grotere abdijkerk Cluny III.

Cluny

Relikwieën trekken pelgrims naar Cluny

Het jaar 981 betekent niet alleen de inwijding van Cluny II, maar ook een enorme versterking van het prestige van de abdij.
Volgens de overlevering worden op 14 februari van dat jaar relikwieën van de apostelen Petrus en Paulus in het nieuwe hoogaltaar bijgezet. Deze kostbare relieken waren afkomstig uit de Romeinse basiliek San Paolo fuori le Mura. Wanneer Rome in de vroege 10e eeuw wordt geteisterd door geweld en onrust, brengen gevluchte monniken de reliekhouder met de as van de apostelen naar hun geestelijke verwanten in Cluny. Daarmee komt de abdij in het bezit van een thesaurus inestimabilis, een “onschatbare schat”, die haar aanzien in heel Europa aanzienlijk vergrootte.

De aanwezigheid van deze relikwieën trekt duizenden pelgrims naar Cluny. Samen met schenkingen en de inkomsten uit missen voor de zielenrust van overledenen groeien de rijkdom en invloed van de abdij snel. 

Onder abt Odilo krijgt Cluny bovendien nog meer betekenis voor de christelijke wereld. Hij voert in 998 de jaarlijkse herdenking van alle overledenen op 2 november in, een traditie die zich over heel Europa verspreidt en in de 13e eeuw bekend wordt als Allerzielen.

vrijstelling van alle belastingen

Op 22 april 998 vaardigt paus Gregorius V een pauselijke bul uit waarin de abdij van Cluny het privilege van vrijstelling krijgt. Hoewel dit recht al in de oorspronkelijke stichtingsakte was vastgelegd en later herhaaldelijk bevestigd, wordt het hiermee opnieuw bekrachtigd. 

De vrijstelling houldt in dat de abdij geen belastingen hoeft te betalen aan zowel kerkelijke als wereldlijke autoriteiten, dit in ruil voor een symbolische jaarlijkse pacht aan Rome. De bul is gericht aan abt Odilo en bevat op zijn verzoek een overzicht van de 84 “plaatsen en kloosters” die onder Cluny vielen, verspreid van de Provence tot Bourgondië. 

In het document worden ook negen specifieke kloosters genoemd, waaronder Charlieu en Sauxillanges.

het muntrecht van de abdij

In 930 verleent koning Raoul van Frankrijk aan abt Odo het bijzondere recht om munten te slaan, een voorrecht dat in 1058 wordt bevestigd door paus Stefanus IX en opnieuw werd bekrachtigd in oorkonden uit 1120 en 1204

Vanaf 1123 slaat de abdij zilveren deniers en obolen. De munt wordt niet in Cluny zelf geslagen, maar in het versterkte château de Lourdon, zo’n vijf kilometer naar het noorden. 

De Cluniacenzer munten stonden bekend om hun hoge zilvergehalte en uitstekende kwaliteit. Geldwisselaars kochten ze daarom graag op om het zilver elders opnieuw te laten verwerken. Toch bleven de munten vrijwel uitsluitend in omloop binnen de uitgestrekte bezittingen van de abdij, waardoor ze Cluny weinig inkomsten opleverden. Wanneer koning Lodewijk IX in 1239 een koninklijke munt in Mâcon laat vestigen, komt een einde aan de muntslag van de abdij.

Cluny
abdijmuur Cluny

ommuring van de abdij

Zoals veel abdijen aan het einde van de Karolingische tijd, lijkt deze versterkte ommuring al sinds het einde van de 10e eeuw te bestaan. De ommuring, die meer dan 15 hectare en 1350 meter beslaat, speelt eeuwenlang een belangrijke rol in de verdediging en het prestige van Cluny.  Het is de scheiding tussen abdijcomplex en de middeleeuwse stad. In de straten van Cluny vind je de oude ommuring terug aangegeven.
Aan de rand van het oorspronkelijke abdijcomplex vind je de Tour de Fromage.

Cluny
placering noordelijke muur
Cluny
placering zuidelijke muur
Cluny
abdijmuur
Cluny
Tour de Fromage

Ban sacré

Paus Paschalis II, die vanuit Beaune en Chalon naar Cluny reist, bevestigt op 2 februari 1107 de vrede van de ban sacré en breidt de bijbehorende privileges uit. Binnen deze ban sacré mogen geen kastelen worden gebouwd en is het heffen van tol verboden op de hoofdwegen binnen een straal van ongeveer veertig kilometer rond Cluny, en wel voor “allen die naar Cluny gaan of er vandaan komen”.

De abt kan namelijk niet verdragen dat een vijand van de abdij, de seigneur van Uxelles, tol heft op doorgangen en oversteekplaatsen die worden gebruikt door kooplieden en pelgrims op weg naar de abdij. Zo heft de seigneur tol bij Aynard, de doorwaadbare plaats in de rivier de Guye. Abt Hugues heeft zich hierover bij paus Paschalis II beklaagd.

De cluniacenzer hervormingen

Onder abten als Odo, Odilo, Hugues de Semur (Hugo van Cluny) en Petrus Venerabilis beleeft Cluny zijn bloeitijd. De Cluniacenzer hervormingen staan voor een terugkeer naar een strikte naleving van de Regel van Benedictus, een verfijnde liturgie en een sterke centrale organisatie. Alle aangesloten kloosters staan rechtstreeks onder gezag van de abt van Cluny, ook een unicum in de Middeleeuwen.

De abten hebben niet alleen religieuze, maar ook wereldlijke macht. Ze spreken recht, heffen belastingen, mogen munten slaan en regelen openbare zaken. Cluny werd omschreven als een klooster, stad en vesting, compleet met een verdedigende torens.

we kennen de architecten: Gunzo en Hézelon

In 1088 vraagt abt Hugues aan de architect-monnik Gunzo een ontwerp voor een nieuw kerk te maken.
Volgens de overlevering is het echter Gunzo die, al oud en bedlegerig, met het idee bij de abt komt: in een nacht richten Petrus, Paulus en Stefanus zich in een droom tot Gunzo. De drie heiligen markeren de omtrek van een nieuwe abdijkerk op de grond en vragen Gunzo om abt Hugues te overtuigen van de noodzaak van deze nieuwe kerk omdat de huidige kerk (Cluny II) niet meer toereikend is voor alle monniken.
De volgende morgen staat Gunzo, tot ieders verbazing op en gaat naar de kapittelzaal om de abt te overtuigen van de bouw van een nieuwe kerk.

Hugues de Semur
de monnik Gunzo op zijn bed
Cluny
de monnik Gunzo naar abt Hugues de Semur met de boodschap van Petrus

Op een middeleeuwse miniatuur uit de 12e eeuw (rechts) is het sterfbed van Gunzo verbeeld. Om hem heen staan Petrus, Paulus en Stefanus. Petrus en Paulus zetten met het koord dat Stefanus om zijn arm heeft de afmetingen van de nieuwe abdijkerk uit.

Hézelon

De architect (of opzichter) voor de bouw van deze nieuwe kerk is de wiskundige Hézelon van Luik, een vooraanstaande kanunnik. Voor de Middeleeuwen is het bijzonder dat we de naam van de architect kennen. Cluny III wordt een wonder van romaanse bouwkunst en een symbool van de macht van de orde. Het is abt Pierre le Vénérable die de naam van Hézelon noemt in een brief aan de bisschop van Luik als zijnde belangrijk voor de bouw van Cluny III.

De grootste kerk van het christendom

De bouw van Cluny III neemt tientallen jaren in beslag. Al in 1095 wijdt paus Urbanus II het hoogaltaar in, terwijl de enorme abdijkerk nog volop in aanbouw is. Pas onder abt Petrus Vénérabilis krijgt de kerk rond 1130 haar definitieve vorm, al werd aan de narthex nog verder gewerkt. 

Odo abbé Cluny
Inwijding van het hoogaltaar van Cluny III door paus Urbanus II, in 1095. De afbeelding is een tekening uit een Latijns manuscript.

Op 25 oktober 1130 is de abdijkerk plechtig ingewijd door paus Innocentius II, in aanwezigheid van meer dan duizend monniken. Met haar uitzonderlijke afmetingen, vijf schepen, dubbele transepten en indrukwekkende torens was Cluny III op dat moment de grootste kerk van de christelijke wereld, een positie die zij bijna vier eeuwen zou behouden.

Cluny
zuidelijke arm van het grote transept van Cluny III (ID 204080530 @ Philippehalle | Dreamstime.com)

Kenmerken van Cluny III

  • Enorme afmetingen: 187 meter lang, een schip van 38,50 meter breed, 90 meter op de breedte van het grote dwarsschip, 29,50 meter hoog onder het gewelf (de Notre-Dame van Parijs is circa 30% kleiner).
  • Complexe plattegrond: vijf beuken, twee transepten, kooromgang en straalkapellen.
  • Zeven klokkentorens
  • Westwerk: monumentale façade met twee torens en een narthex.
  • Liturgische functie: ontworpen om honderden monniken dagelijks de zeven getijdengebeden te laten zingen.
  • Akoestiek: hoge gewelven versterkten de gregoriaanse zang.
Cluny
kooromgang van Cluny III volgens oude tekening
Cluny
oude tekening Cluny III (bron: Gallica)


Portes d'Honneur: toegang tot de heilige stad

Vanaf de 12e eeuw vormen de Portes d’Honneur de monumentale hoofdingang van de abdij van Cluny III. De dubbele poort staat precies in het verlengde van de narthex en het schip van de abdijkerk en markeert de overgang naar de besloten wereld van de monniken. Met haar rijke versieringen en triomfboogachtige uitstraling maakt de poort direct duidelijk dat bezoekers een bijzondere, bijna heilige plaats betreden.

Wie door de Portes d’Honneur de abdij binnenkwam, werd onmiddellijk getroffen door het grote roosvenster in de westgevel van de narthex. Dit indrukwekkende venster vormde het visuele middelpunt van de entree en benadrukte de enorme afmetingen en pracht van de Maior Ecclesia. Voor pelgrims en andere bezoekers moet het een onvergetelijke eerste aanblik zijn geweest.

Door deze poort liepen in de loop der eeuwen talloze pelgrims, pausen, koningen en abten, onder wie kardinaal Richelieu, de keizer van Constantinopel en koning Lodewijk IX. Tijdens de Franse Revolutie wordt het bovenste deel van de poort grotendeels verwoest. 

Van de monumentale poort zijn alleen de twee grote bogen op de begane grond bewaard gebleven. Ze worden geflankeerd door rijk versierde zuilen, gecanneleerde pilasters en fraai gebeeldhouwde Korinthische kapitelen uit de jaren 1120-1130.

De architectuur is duidelijk geïnspireerd op Romeinse stadspoorten, zoals de Porte d’Arroux in Autun, en geeft nog altijd een indruk van de indrukwekkende entree die bezoekers bijna negen eeuwen geleden wachtte.

Cluny
Portes d'Honneurs Cluny
Cluny
Portes d'Honneurs Cluny
Autun
Porte d'Arroux Autun


Barabantorens: de versterkte toegang tot Cluny III

Wanneer je aan de westzijde van de abdij door de Porte d’Honneur loopt, zie je eerst de overblijfselen van de twee Tours Barabans, de versterkte toegang tot de abdij van Cluny III. De noordelijke toren stond bekend als de Tour des Archives, de zuidelijke als de Tour des Bisans. Samen vormden zij niet alleen een indrukwekkende entree, maar ook een verdedigingswerk dat de toegang tot de abdij controleerde.

De Barabantorens worden gebouwd tijdens de aanleg van Cluny III. De Tour des Archives dient vanaf 1403 als klokken- én archieftoren. Aan het einde van de 15e eeuw laat abt Jacques d’Amboise een overdekte gang bouwen die de archiefruimte met het abdijcomplex verbindt. Deze blijft tot het einde van de 18e eeuw in gebruik. 

Tussen de Tours Barabans lag het voorplein met een monumentale trap die naar de narthex leidde, het indrukwekkende overdekte voorportaal van Cluny III.

Tijdens de afbraak van de abdij na de Franse Revolutie worden de bovenste verdiepingen van de noordelijke toren gesloopt. Tegenwoordig resteert daarvan nog ongeveer 17,5 meter, terwijl van de Tour des Bisans slechts beperkte resten bewaard zijn gebleven.

de narthex, de indrukwekkende entree van Cluny III

Tussen de Tours Barabans lag een monumentale trap die naar de narthex leidde, het indrukwekkende voorportaal van Cluny III. De narthex vormde de overgang tussen de wereld buiten de abdij en de heilige ruimte van de kerk. Hier verzamelden zich pelgrims, boetelingen en deelnemers aan plechtige processies voordat zij de abdijkerk binnengingen. 

In de Cluniacenzer traditie had deze ruimte bovendien een symbolische betekenis: de narthex verwees naar de periode tussen de Verrijzenis en de Hemelvaart van Christus, toen hij aan zijn leerlingen verscheen. De ruimte wordt daarom ook wel galilea, avant-nef of paradijs genoemd.

Een bouwproject van bijna een eeuw

Hoewel de grote abdijkerk in 1130 door paus Innocentius II werd ingewijd, was Cluny III daarmee nog niet helemaal voltooid. Aan de narthex werd nog lange tijd verder gebouwd. Het omvangrijke bouwprogramma nam waarschijnlijk tot rond 1230 in beslag. De narthex werd ontworpen als een monumentaal voorportaal voor plechtige intochten en kreeg een hoogte van drie verdiepingen. Een brede trap met 41 treden vormde de verbinding tussen het voorplein en de ingang van de kerk. Pas na voltooiing van dit voorportaal was Cluny III als geheel gereed.

Licht door een enorm roosvenster

De westgevel van de narthex moet bijzonder indrukwekkend zijn geweest.
Hoog boven de ingang bevond zich een roosvenster met een doorsnede van bijna tien meter. Het venster liet het licht van de ondergaande zon diep in de narthex vallen en moet de ruimte aan het einde van de dag een spectaculair aanzien hebben gegeven.
Boven de arcaden was bovendien een gebeeldhouwd fries aangebracht met onder meer rozetten, fabeldieren en medaillons. Een deel van deze sculpturen is bewaard gebleven in het Musée d’Art et d’Archéologie in Cluny.

Van de narthex zelf is na de afbraak van de abdijkerk vrijwel niets meer over. Dankzij archeologische opgravingen zijn de lijnen van de muren en de plattegrond echter opnieuw zichtbaar gemaakt. Als je hier staat, kun je daardoor nog enigszins ervaren hoe indrukwekkend de entree van de grootste kerk van het middeleeuwse christendom moet zijn geweest.

Galilea Passage

Het leven van de monniken van Cluny kent grote processies waarvan de routes minutieus waren gepland volgens de liturgische feesten. De Galilea Passage bood de monniken de mogelijkheid zich te verplaatsen tussen het klooster en de abdijkerk van de Maior ecclesia. de naam Galilea verwijst naar de narthex van de eerste kerk. De Galilea Passage is ook de ruimte waar monniken tijdens bepaalde plechtige vieringen samenkwamen.

kapittelzaal

De kapittelzaal is het bestuurlijke hart van de abdij. Hier komen de monniken dagelijks bijeen voor overleg, waarbij de bijeenkomst steeds wordt onderbroken door het voorlezen van een hoofdstuk uit de Regel van Sint-Benedictus.
Langs de wanden staan twee rijen banken, waardoor tijdens grote bijeenkomsten plaats is voor wel 250 monniken. In deze ruimte worden ook belangrijke besluiten genomen en officiële oorkonden opgesteld. 

De huidige banken geven de plaats aan van de oorspronkelijke zitbanken uit de 13e eeuw, die bij archeologisch onderzoek zijn teruggevonden. Tegelijkertijd beschermen ze nog oudere resten, waaronder een afgesleten drempel en fraai versierde vloertegels, die nog altijd zichtbaar zijn en een indruk geven van de lange geschiedenis van deze bijzondere ruimte.

het woord kapittel heeft oorspronkelijk twee betekenissen die nauw met elkaar samenhangen

Een hoofdstuk uit een boek
Het woord komt van het Latijnse capitulum, dat letterlijk “klein hoofd” of “hoofdstuk” betekent. In kloosters werd tijdens de dagelijkse bijeenkomst een hoofdstuk uit de Regel van Sint-Benedictus voorgelezen.

De bijeenkomst van de monniken
Omdat die bijeenkomst altijd begon met het voorlezen van zo’n hoofdstuk, ging men de vergadering zelf ook een kapittel noemen. Uiteindelijk kreeg ook de ruimte waar deze vergadering plaatsvond de naam kapittelzaal.

piscine liturgique

In de muur bevindt zich een klein, uit steen gehouwen bekken: het piscine liturgique.
Na de mis werden hierin de resten van wijwater en wijn gegoten. Deze vloeistoffen werden niet zomaar weggegooid, omdat ze tijdens de liturgie waren gebruikt. 

Via de afvoer verdwenen ze rechtstreeks in de grond. Zo werden de fundamenten van de kerk als het ware gereinigd en bleef voorkomen dat gewijde of liturgisch gebruikte vloeistoffen in het gewone afval terechtkwamen.


Palais Gélase: toonbeeld van wereldlijke macht

Naast de kerk laat de abdij een indrukwekkend abtenpaleis bouwen: het Palais du Pape Gélase. Dit paleis, genoemd naar paus Gelasius II die in 1119 in Cluny verbleef, wordt het residentiële en administratieve centrum van de abdij. Hier ontvangt de abt vorsten, keizers en pauselijke gezanten. Het paleis benadrukt de wereldlijke en diplomatieke rol van de abten van Cluny, die vaak bemiddelen in Europese conflicten.

Het Palais Gélase is een van de weinige gebouwen van het abdijcomplex die de Franse Revolutie grotendeels hebben overleefd en vandaag nog te bewonderen is. Het wordt gezien als een van de mooiste voorbeelden van romaanse burgerlijke architectuur in Frankrijk.

Cluny III: de grootste kerk van het westen

Onder abt Hugues de Semur Onder abt Hugo van Semur (1049-1109) beleefde Cluny zijn grootste groei.begint in 1088 de bouw van Cluny III, de grootste kerk van het christendom. Dit blijft zo tot in de 16e eeuw in Rome door paus Julius II de nieuwe Sint-Pieter wordt gebouwd. De eerste abdijkerk wordt hiervoor verwoest, Cluny III wordt iets verder naar het noorden gebouwd, de bouw van de abdij heeft 42 jaar geduurd.

we hebben geprobeerd tekening van de abdij Cluny III over de stadsplattegrond van Cluny te leggen ©Christine van der Pol

Deze derde kerk van Cluny was bedoeld als het ultieme huis van God op aarde, een monument voor de macht en heiligheid van de Cluniacenzer orde. Deze kerk wordt ook wel de maior ecclesia (grote kerk) genoemd.

De Spaanse konig Alphonso VI heeft nog een ereschuld aan de monniken van Cluny uitstaan en is bereid een deel van de financiering van de nieuwe abdijkerk op zich te nemen.

Cluny
maquette van Cluny III
Cluny
plattegrond van Cluny II en Cluny III

De Maior ecclesia maakte deel uit van een dicht kloostercomplex van uitzonderlijke omvang.
De meeste gebouwen dateren uit de Middeleeuwen en zijn later uitgebreid.

Kunst, muziek en pelgrimage

Cluny is destijds een centrum van kunst en cultuur. De monniken produceren prachtig verluchte manuscripten en verfijnen de gregoriaanse zang. De abdij beheert een netwerk van kleinere heiligdommen langs de pelgrimsroutes naar Santiago de Compostela, wat niet alleen spirituele, maar ook economische welvaart brengt.

Cluny
kloostergang abdij Cluny
Cluny
kloostergang abdij Cluny (ID 67239801 @ Philippehalle | Dreamstime.com)

Van hervorming naar Revolutie

een laatste bloeiperiode

Vanaf de 12e eeuw neemt de invloed van Cluny geleidelijk af. Nieuwe kloosterorden, zoals de Cisterciënzers, spreken met hun nadruk op eenvoud en soberheid steeds meer monniken aan. Tegelijkertijd ondermijnen politieke en economische problemen de machtspositie van de abdij.

Aan het einde van de Middeleeuwen volgt nog één laatste opleving. Abt Jean de Bourbon (1456–1480) herstelt de kloosterdiscipline door streng toe te zien op de naleving van de Regel van Sint-Benedictus, het gemeenschapsleven, de gehoorzaamheid en de persoonlijke armoede. Zijn opvolger Jacques II d’Amboise (1481–1510) zet deze hervormingen voort.

Beiden laten bovendien indrukwekkende abdijpaleizen bouwen, die het aanzien en de status van Cluny opnieuw moeten onderstrepen. Hoewel deze hervormingen de abdij tijdelijk nieuw leven inblazen, kunnen zij de geleidelijke neergang uiteindelijk niet meer keren.

Hugenotenoorlogen: het einde in van een machtige abdij

Het herstel blijkt van korte duur, in de 16e eeuw krijgt de abdij het opnieuw zwaar te verduren. Tijdens de Hugenotenoorlogen. In 1562 en opnieuw in 1574 wordt Cluny geplunderd en zwaar beschadigd. Hoewel later nog invloedrijke abten worden benoemd, onder wie de kardinalen de Richelieu en Mazarin, slagen ook zij er niet in het verval van de ooit zo machtige abdij te keren.

abt de Richelieu wil een nieuwe deur

Kort na zijn benoeming tot abt van Cluny in 1629 laat kardinaal de Richelieu midden in de gevel van het Palais du Pape Gélase een monumentale toegangspoort in Louis XIII-stijl aanbrengen: de Porte de Richelieu. Met deze nieuwe ingang wil hij het abdijcomplex verfraaien en moderniseren, maar ook zijn gezag als kardinaal-abt zichtbaar onderstrepen.

De geschiedenis van de poort kent daarna een opmerkelijk verloop. In 1873 is zij tijdens een restauratie ontmanteld, omdat architect Charles Laisné de oorspronkelijke gotische gevel van het paleis wilde reconstrueren. De losse onderdelen verdwijnen uit het zicht en worden pas in de jaren zestig teruggevonden in een kelder van de abdij. 

Aan het begin van de 21e eeuw is de Porte de Richelieu na een restauratie van zes maanden weer opgebouwd op de binnenplaats van de abdij. Daarbij ontbrak nog een deel van het fries, maar ook dat werd in 2010, bij toeval, teruggevonden en in 2011 op zijn oorspronkelijke plaats teruggezet. 

porte de Richelieu

een nieuw klooster voor een nieuwe tijd

Rond 1750 ondergaat de abdij van Cluny haar laatste grote vernieuwing. Net als veel andere abdijen in Frankrijk besluit men de verouderde middeleeuwse kloostergebouwen grotendeels af te breken en te vervangen door een ruim opgezet complex in de toen moderne classicistische stijl. Het nieuwe klooster wordt vrijwel op dezelfde plaats gebouwd als het middeleeuwse complex. De gebouwen worden in een U-vorm rond de centrale tuin gegroepeerd. 

Er veerrijzen brede galerijen en open wandelgangen die toegang  geven tot de vertrekken van de monniken en bieden uitzicht op de tuin en het omliggende park.

De architectuur is sober en functioneel, maar tegelijk monumentaal. De gevels worden verlevendigd door zorgvuldig uitgewerkte details, zoals de regelmatige raamomlijstingen, kroonlijsten en decoratieve ankers. Deze ankers hebben de vorm van een uitspringende sluitsteen en zijn daarmee niet alleen constructieve elementen, maar ook onderdeel van de geveldecoratie. 

Binnen zorgen de galerijen voor een heldere en regelmatige indeling. De centrale tuin vormt het groene hart van het klooster en biedt de monniken een besloten plek voor hun dagelijkse leven en meditatie.

Bijzonder zijn de beschilderde en vergulde smeedijzeren balustrades. Ze zijn het werk van Jean Julien, een talentvolle siersmid die als monnik de naam frère Placidus droeg. Samen met de monumentale trapleuningen behoren zijn smeedwerken tot de opvallendste decoratieve elementen van de 18e-eeuwse kloostergebouwen.

Hoewel het nieuwe complex modern oogt, grijpt de indeling bewust terug op de eeuwenoude kloostertraditie. De galerijen rond de tuin herinneren aan het middeleeuwse klooster en vormen een directe verbinding met het verleden van Cluny. Ironisch genoeg verdwijnt met deze vernieuwing juist een groot deel van dat middeleeuwse verleden. De monniken kunnen maar korte tijd van hun nieuwe onderkomen genieten. Enkele decennia later maakt de Franse Revolutie definitief een einde aan het kloosterleven.

frère Placide

De sierlijke smeedijzeren balustrades zijn ware kunstwerken en worden toegeschreven aan frère Placide, een monnik die bekendstond om zijn uitzonderlijke vakmanschap als smid. 

Ook de balkonhekken en verschillende andere ijzeren sierwerken in het klooster zouden door hem zijn vervaardigd. Zijn werk vormt een bijzonder voorbeeld hoe de monniken hun ambachtelijke talenten inzetten om de abdij te verfraaien.

Hier lees je het hele verhaal van frère Placide.

frere Placide
balustrade in de abdij, gemaakt door frère Placide

De Franse Revolutie maakt een einde aan het kloosterleven

de laatste mis in de abdij van Cluny

Politieke veranderingen, economische neergang en uiteindelijk de Franse Revolutie betekenden het einde van Cluny’s macht.Tijdens de Franse Revolutie komt na bijna negen eeuwen een definitief einde aan het kloosterleven in Cluny. Op 13 februari 1790 worden de religieuze orden opgeheven en worden de bezittingen van de abdij genationaliseerd. 

Op 25 oktober 1791 wordt in de abdijkerk de laatste mis opgedragen. Slechts twaalf monniken zijn daarbij nog aanwezig. Kort daarna moeten ook zij de abdij verlaten en worden ze verspreid over de omliggende parochies. Het eeuwenoude klooster komt leeg te staan en raakt al snel ten prooi aan plundering en verval. 

plundering en verval

Na het vertrek van de laatste monniken wordt de abdij door de revolutionairen beschouwd als een symbool van het ancien régime. De katholieke kerk wordt gezien als een verlengstuk van de monarchie en haar bezittingen worden daarom genationaliseerd. Ook het klooster van Cluny ontkomt hier niet aan.

In 1793 begint de plundering. Beelden en praalgraven worden vernield, glas-in-loodramen ingegooid en het meubilair weggehaald. Ook de grote bibliotheek en een belangrijk deel van het archief gaan verloren. Uit documenten uit die periode blijkt dat tussen medio 1793 en begin 1794 bovendien klokken, ornamenten, hekwerken en andere onderdelen uit de abdij worden verwijderd. In totaal wordt ongeveer dertien ton ijzer afgevoerd.

Opvallend is dat de abdij in 1781, slechts enkele jaren vóór de Franse Revolutie, nog volop in gebruik en kennelijk in goede staat is. Dat jaar worden nieuwe koorbanken in de abdijkerk geplaatst, ontworpen of aangebracht onder leiding van Dom Lorain. De banken kosten maar liefst 40.000 frank, een aanzienlijk bedrag. 

Nog geen twintig jaar later is de situatie volledig veranderd. In 1799 worden dezelfde koorbanken voor slechts 2.000 frank verkocht. Het grote verschil in waarde laat op schrijnende wijze zien hoe snel de abdij na de Revolutie van gerespecteerd kloostercentrum verandert in een complex waarvan de inventaris en gebouwen worden ontmanteld en verkocht. De kopers zijn Gelin, een kruidenier, Paul Martin, de voormalige pastoor van Bray, en de slager Bruys. De verkoopprijs wordt destijds omschreven als « une somme dérisoire », oftewel: een belachelijk lage prijs.

de abdij wordt in percelen verdeeld

De staat maakt vervolgens plannen om het enorme abdijcomplex te verkopen. Op 21 april 1798 deelt hoofdingenieur Pierre Jean Guillemot het terrein op in vier percelen. Hiervoor worden twee nieuwe, loodrecht op elkaar staande straten door het abdijcomplex aangelegd. De noord-zuidlopende straat krijgt van veel inwoners de weinig vleiende bijnaam ‘rue scélérate’, de ‘schurkenstraat’. Het plan van Guillemot laat zien hoe ingrijpend het eeuwenoude abdijcomplex wordt opengebroken.

Later in 1798 wordt het complex als nationaal bezit verkocht. Het uitgestrekte landgoed brengt 2.140.000 frank op. De abdij zelf, verdeeld over vier percelen, komt voor slechts 60.000 frank in handen van handelaren uit de Mâcon. De gebouwen worden vervolgens ontmanteld en de natuurstenen worden als bouwmateriaal verkocht. Ze vinden een nieuwe bestemming in huizen in Cluny en zelfs in stallen voor revolutionaire troepen.

De afbraak van de abdijkerk gaat nog jarenlang door. In 1811 worden ook delen van het grote en kleine transept gesloopt. Zo verdwijnt in enkele decennia een groot deel van een monument dat eeuwenlang tot de belangrijkste religieuze gebouwen van Europa had behoord.

van de Maior Ecclesia blijft weinig over

Nog geen dertig jaar na de Revolutie is van de enorme Maior Ecclesia, ooit de grootste kerk van het middeleeuwse christendom, en van de kloostergebouwen nog maar weinig over.

Toch kan dankzij archeologisch onderzoek, opgravingen en oude plattegronden tegenwoordig een steeds beter beeld worden gevormd van de verdwenen abdij. De contouren en afmetingen van de gebouwen zijn op verschillende plaatsen opnieuw zichtbaar gemaakt. 

Wie hier rondloopt, moet zich realiseren dat onder en tussen de huidige gebouwen ooit een van de grootste kloostercomplexen van Europa lag. De resten van Cluny trekken inmiddels jaarlijks meer dan honderdduizend bezoekers, die komen kijken naar wat er nog over is van deze ooit zo machtige abdij.

Welke delen bleven behouden?

Van Cluny III is tegenwoordig nog slechts ongeveer tien procent bewaard gebleven. Toch geven de overblijfselen nog altijd een indruk van de enorme omvang van de voormalige abdijkerk.

De Maior Ecclesia werd oorspronkelijk bekroond door vier monumentale torens:

  1. de centrale toren boven de kruising van het grote transept;
  2. de noordelijke achthoekige transepttoren;
  3. de zuidelijke achthoekige transepttoren (de huidige Tour de l’Eau Bénite);
  4. de toren boven de kruising van het kleinere oostelijke transept

Van deze vier is alleen de Tour de l’Eau Bénite bewaard gebleven. Deze achthoekige toren is rijk versierd. De onderste geleding draagt een fries met kruismotieven, terwijl de tweede geleding is voorzien van een parelfries. De elegante piramidevormige spits uit de 15e eeuw is kenmerkend voor de Cluniacenzer bouwkunst en keert onder meer terug in de basiliek van Paray-le-Monial.

Naast de Tour de l’Eau Bénite bleef ook de Tour de l’Horloge behouden. Deze vierkante toren dateert uit de 12e eeuw en werd aan het begin van de 18e eeuw verhoogd met een extra verdieping voor de klokken.
Hoewel de Tour de l’Horloge vaak samen met de Tour de l’Eau Bénite wordt genoemd als herkenningspunt van de abdij, behoorde hij niet tot de vier grote torens van de abdijkerk. Samen met delen van het grote transept, de kloostergebouwen en enkele kapellen vormt hij een van de belangrijkste tastbare herinneringen aan het ooit grootste kerkgebouw van de westerse wereld.

Cluny
Clocher de l'Eau Bénite en de Tour de l'Horloge

Van abdij naar keizerlijke stoeterij

Na de ontmanteling van de abdij krijgt een deel van het complex een geheel nieuwe bestemming.
Op 27 februari 1806 koopt de stad Cluny de Hostellerie de Saint-Hugues, met de stallen op de begane grond, van een particulier. De aankoop houdt verband met een verzoek van de stad aan de staat om in Cluny een hengstendepot te vestigen. 

Dat verzoek wordt op 4 juli 1806 ingewilligd bij keizerlijk decreet van Napoleon I. Cluny wordt daarmee een van de dertig nieuwe hengstendepots die in Frankrijk worden opgericht. De eerste directeur is de graaf de Nompère, bijgestaan door een dierenarts en een accountant. Het depot levert paarden voor de fokkerij en daarmee indirect ook voor het leger van Napoleon, dat grote aantallen paarden nodig heeft.

paarden boven op het verdwenen koor

De geschiedenis van het haras kent een wrang detail. De nieuwe stallen worden niet alleen gebouwd met stenen die afkomstig zijn van de afgebroken abdijkerk; een deel van het Haras national de Cluny ligt ook op de plaats waar ooit het koor van Cluny III stond. Daarmee komen de paarden letterlijk boven op de resten van de middeleeuwse abdijkerk te staan. 

Volgens oude bronnen bevonden zich onder dit terrein bovendien graven van monniken en zou ook het graf van abt Hugues de Semur, de grote bouwheer van Cluny III, zich hier hebben bevonden. Archeologisch onderzoek heeft in het gebied inderdaad verschillende middeleeuwse graven aangetoond, al kunnen deze (nog) niet zonder meer aan specifieke abten worden toegeschreven.

stallen gebouwd met stenen van de abdijkerk

De eerste paarden worden ondergebracht in de voormalige abdijgebouwen. In 1814 verhuist het hengstendepot naar de stallen die speciaal voor deze functie worden gebouwd. Daarbij worden op grote schaal stenen van de afgebroken abdijkerk gebruikt. 

De bouw van de stallen gaat vervolgens nog decennialang door, van 1807 tot 1880. In het voorjaar worden de dekhengsten vanuit Cluny verdeeld over verschillende fokkerijen in Bourgondië. Zo krijgt een deel van het voormalige abdijcomplex een nieuwe functie die niets meer met het kloosterleven te maken heeft, maar wel opnieuw een belangrijke rol in de regio gaat spelen.

van keizerlijke hengsten naar Haras de Cluny

Cluny heeft deze paardenfunctie tot op de dag van vandaag behouden. Het voormalige hengstendepot maakt inmiddels deel uit van een omvangrijk paardencentrum, met een stoeterij, stallen, een manege, sportarena’s en een renbaan. De paarden die hier worden gefokt en getraind, worden gehuisvest in gebouwen waarvan een deel letterlijk is opgetrokken met stenen afkomstig van de middeleeuwse abdijkerk.

Cluny vandaag

Ondanks de verwoesting blijft Cluny een indrukwekkende plek. In de 20e eeuw ontstaat er hernieuwde belangstelling voor de abdij, mede veroorzaakt door de archeologische opgravingen van Kenneth John Conant.

In 1993 bezoekt François Mitterrand, wiens vrouw en schoonfamilie uit Cluny kwamen, de abdij met Michail Gorbotsjov, oud leider van de Sovjet-Unie.

Bezoekers kunnen nog steeds de imposante restanten van de abdijkerk, het Palais Gélase en enkele kloostergebouwen bezichtigen.
Hoewel slechts een tiende van de originele abdij Cluny III bewaard is gebleven, is wat nog resteert van de Maior Ecclesia indrukwekkend. De hoogte van meer dan 30 meter van de zuidelijke arm van het grote transept spreekt nog altijd tot de verbeelding.

Tijdens een bezoek aan de abdij kun je bovendien een prachtige 3D-reconstructie bekijken die laat zien hoe groots de Major Ecclesia van Cluny ooit moet zijn geweest. Een moderne 3D-presentatie toont hoe de abdijkerk er ooit uitzag: rijk versierde zuilen, marmeren vloeren, kleurrijke fresco’s en een zee van licht.

Het Centre d’études clunisiennes heeft inmiddels meer dan 25.000 bouwfragmenten gelokaliseerd, teruggekocht of geschonken gekregen. Een selectie is te bewonderen in het Palais Jean de Bourbon in Cluny.

Een houten maquette in de abdij toont hoe klein het deel is dat nog bewaard is, maar zelfs dit tiende deel blijft een indrukwekkend geheel.

bronnen

Sites clunisiens en Europe; Christophe Vorop
Romaanse kunst; Rolf Toman
Herbouwd Verleden
; Tellinger en Engelbregt
De abdij van Cluny; Centre des Monuments Nationaux
https://bourgognemedievale.com
https://www.cluny-abbaye.fr/
www.brionnais.fr

Cluny
alleen de donker gekleurde delen van deze maquette zijn nog over van Cluny III

meer lezen over de abdij van Cluny op zuidbourgogne.nl:

meer lezen over Cluny op zuidbourgogne.nl:

huis in bourgogne

Huis huren?

Geïnteresseerd in een vakantiehuis in deze omgeving?