Cluny

Cluny: opkomst, macht en ondergang van een abdij

In het zuiden van de Bourgogne liggen de indrukwekkende resten van de abdij van Cluny.
Ooit is dit benedictijnse klooster het spirituele hart van Europa en
het centrum van een enorm netwerk van kloosters en priorijen.

Cluny staat bekend om zijn rijke liturgie, zijn invloed op kunst en architectuur en zijn belangrijke rol in de hervorming van het kloosterleven.
De abdij groeit uit tot een religieus en cultureel machtscentrum met een invloed die tot ver buiten Bourgondië reikt.

Van de enorme abdijkerk CLUNY III, ook wel de Maior Ecclesia genoemd,
blijft na de Franse Revolutie en de daaropvolgende afbraak minder dan tien procent over.
Toch geven de bewaard gebleven delen, de archeologische resten en de moderne reconstructies
een beeld van de uitzonderlijke omvang van het middeleeuwse complex.

De plek voor een nieuwe abdij

In 910 schenkt Guillaume I d’Aquitaine, ook Guillaume le Pieux of Willem de Vrome genoemd, zijn domein bij Cluny om er een klooster te stichten. Hij is hertog van Aquitanië en graaf van Mâcon. Het domein ligt in een vruchtbare vallei aan de rivier de Grosne, op enige afstand van de Saône.

Het landgoed is al vóór 910 een oud bezit. Uit onderzoek naar de vroegste akten blijkt dat Cluny oorspronkelijk eigendom is van de bisschop van Mâcon. In 802 ruilt de bisschop villa Cluny en een andere villa met de graaf van Mâcon tegen drie andere villae. Daarna komt het domein in handen van Ava, ook Hava genoemd, de zuster van Guillaume.

De Karolingische villa omvat wijngaarden, boomgaarden, weiden, bossen, molens en zelfs waterpartijen. Op het terrein staat ook een kleine, aan de Notre-Dame gewijde kapel. Hoe de eerste monniken, die in 910 met Bernon aankomen, deze kapel gebruiken of veranderen, weten we niet. Ook de precieze ligging ervan is niet bekend.

In haar testament laat Ava het domein aan haar broer na. De latere stichtingsakte van 910 vermeldt expliciet dat Guillaume het bezit van haar heeft verkregen.

De ligging biedt verschillende voordelen voor een klooster. De vallei is dunbevolkt en ligt niet direct aan een belangrijke rivierroute. Daardoor is de plek minder kwetsbaar voor aanvallen vanaf het water, zoals de abdij van Tournus tijdens de invallen van de Noormannen heeft ervaren. Tegelijkertijd biedt de omgeving vruchtbare landbouwgrond, wijngaarden en voldoende natuursteen voor de bouw.

De stichting van Cluny in 910

Cluny
zicht op de achterzijde van de abdij vanuit de abdijtuin

De abdij wordt officieel gesticht op 11 september 910. Dat blijkt uit de oorspronkelijke stichtingsakte, die in Bourges wordt opgesteld en waarvan het origineel wordt bewaard in de Bibliothèque nationale de France.

In deze oorkonde schenkt Guillaume zijn domein in Cluny aan de heilige apostelen Petrus en Paulus om er een klooster te stichten. Hij bepaalt dat de monniken er volgens de Regel van Benedictus leven. Tegelijkertijd plaatst hij het nieuwe klooster rechtstreeks onder de bescherming van de paus. Daarmee wil hij de monniken onafhankelijkheid garanderen tegenover zowel de koninklijke macht als plaatselijke wereldlijke en kerkelijke machthebbers.

Deze constructie is voor die tijd bijzonder. Cluny valt niet onder het gezag van een plaatselijke seigneur of bisschop en krijgt daardoor een grote mate van zelfstandigheid. Deze bepaling vormt een belangrijke basis voor de groeiende invloed van de abdij.

Berno en de eerste monniken

Voor de nieuwe stichting vraagt Guillaume aan Berno, abt van Gigny en Baume-les-Messieurs in de Jura om abt van Cluny te worden. Berno arriveert in Cluny met twaalf monniken: zes uit Baume-les-Messieurs en zes uit Gigny.

Samen beginnen zij een nieuw klooster volgens de Regel van Benedictus. Hun leven staat in het teken van gebed, arbeid en gehoorzaamheid. De strikte naleving van de Benedictijnse regel en de uitgebreide liturgie trekken al snel nieuwe monniken aan.

De gemeenschap ziet het bovendien als haar taak om zorg te dragen voor de zwaksten in de samenleving, onder wie armen, pelgrims, vluchtelingen, wezen en weduwen.

Cluny
Guillaume d'Aquitanië geeft de abdij aan Berno
Cluny
het dorp Beaume-les-Messiers, met links de abdij van Beaume


De stad groeit rond de abdij

De aantrekkingskracht van de abdij brengt al snel welvaart naar Cluny. Ambachtslieden, handelaren en pelgrims vestigen zich in de omgeving en het dorp groeit in de loop van de eeuwen uit tot een bloeiende stad.

Ook lekendienaren die voor de abdij werken, bouwen hun huizen buiten de kloostermuren. Zij zijn bijvoorbeeld bakker, slager, timmerman, steenhouwer, wever of kapper. In ruil voor hun diensten genieten zij de bescherming van de abdij, een belangrijk voorrecht in een periode van feodale twisten en geweld.

Lekenbroeders met praktische of ambachtelijke taken kunnen bovendien wonen in het Malgouverne, een gebouwencomplex aan de zuidzijde van het abdijterrein, naast de Tour des Fromages.

De groei van de abdij en de komst van ambachtslieden en handelaren bepalen steeds sterker het karakter van de nederzetting. Het huidige middeleeuwse stadsbeeld van Cluny is daar nog altijd een herinnering aan. In de stad staat zelfs wat wordt aangeduid als het oudste woonhuis van Frankrijk.

Cluny
overblijfselen van het Malgouverne, ooit deel van het abdijcomplex


Cluny groeit uit tot een religieus machtscentrum

In de eeuwen na de stichting groeit Cluny uit tot het centrum van een ongekend religieus netwerk. Op het hoogtepunt zijn meer dan 1.400 kloosters en priorijen met Cluny verbonden. Aan het begin van de 12e eeuw telt het netwerk meer dan 10.000 monniken.

Uniformiteit, discipline en een gezamenlijke liturgie staan centraal. In de aangesloten Cluniacenzer kloosters bevinden zich dezelfde ruimten die noodzakelijk zijn voor het monastieke leven: een kerk, kloostergang, kapittelzaal, refter, slaapzaal, ziekenboeg en woning van de prior of abt. Daarnaast zijn er werkplaatsen, tuinen, een watervoorziening, een graanmolen, meelschuur en voorraadruimten. We kennen deze abdij als CLUNY I.

Om die eenheid te waarborgen, laat Cluny al vroeg andere kloostergemeenschappen de moederabdij bezoeken. Tijdens deze bezoeken dient Cluny als voorbeeld voor de inrichting en organisatie van de aangesloten huizen.

Onder abten als Odo, Odilo, Hugues de Semur en Petrus Venerabilis beleeft Cluny zijn bloeitijd. De Cluniacenzer hervormingen richten zich op een strikte naleving van de Regel van Benedictus, een verfijnde liturgie en een sterke centrale organisatie. De aangesloten kloosters staan rechtstreeks onder het gezag van de abt van Cluny.

De abt staat er niet alleen voor. Zijn rechterhand is de grootprior, die hem bijstaat bij het bestuur van de abdij en hem bij afwezigheid vervangt. De grootprior houdt zich bezig met zowel geestelijke als wereldlijke zaken en kan namens de abt de aangesloten Cluniacenzer kloosters bezoeken en daar bestuurlijke en disciplinaire bevoegdheden uitoefenen. Ook zijn positie binnen de abdij is duidelijk zichtbaar: hij neemt de eerste plaats in het koor in en zit in de refter aan de rechterhand van de abt.

De abten beschikken tevens over wereldlijke macht. Zij spreken recht, heffen belastingen, mogen munten slaan en regelen openbare zaken. Cluny ontwikkelt zich daardoor tot een combinatie van klooster, stad en vesting.

Ook binnen de kerk neemt de abt van Cluny een uitzonderlijke positie in. Tussen de 10e en 12e eeuw behoort hij tot de meest invloedrijke geestelijken van Europa. Hij krijgt het voorrecht om bepaalde pontificale insignes te dragen die normaal zijn voorbehouden aan bisschoppen en de paus, waaronder de staf, sandalen en mijter.

Franse kroon

Ook de Franse koning heeft belang bij de groeiende invloed van Cluny. Terwijl de kroon haar centrale macht probeert te versterken ten koste van de lokale edelen, vormt de abdij een belangrijke bondgenoot tegenover deze regionale machthebbers.

Pausen uit de Cluniacenzer kring

De invloed van Cluny reikt ook tot Rome. Uit de Cluniacenzer kring komen verschillende pausen voort, onder wie Gregorius VII, Urbanus II en Anacletus II. Urbanus II onderhoudt nauwe banden met Cluny en noemt de abdij Lux Mundi, het ‘Licht der Wereld’. De eretitel onderstreept de uitzonderlijke spirituele en culturele uitstraling van de abdij.

CLUNY II legt de basis voor een wereldmacht

De eerste abdijkerk, CLUNY I (ca. 910–927), is een eenvoudige eenbeukige basiliek, gebouwd volgens het sobere benedictijnse ideaal. De abdij groeit echter snel en de kerk wordt al gauw te klein.

In de tweede helft van de 10e eeuw laat abt Mayeul daarom een veel grotere kerk bouwen: CLUNY II (ca. 955–981). Deze kerk krijgt drie beuken, een dubbel transept, een crypte en twee westtorens. Vooral de hoge klokkentoren groeit uit tot een symbool van de macht en uitstraling van de abdij.

Cluny II wordt in februari 981 ingewijd door bisschop Hugues van Bourges. Onder Mayeul neemt de macht van de abdij sterk toe. Hier wordt de basis gelegd voor de grote bloei van Cluny in de 11e eeuw en uiteindelijk voor de bouw van CLUNY III.

Cluny


Mayeul door de Saracenen gevangengenomen

In de nacht van 21 op 22 juli 972 wordt abt Mayeul tijdens zijn terugreis uit Italië gevangengenomen door Saracenen die vanuit hun vesting bij La Garde-Freinet in de Provence actief zijn. De ontvoering vindt plaats in de omgeving van Orsière, op de route naar de Col du Grand-Saint-Bernard. Voor zijn vrijlating wordt een uitzonderlijk hoog losgeld geëist.

Volgens de monnik en kroniekschrijver Raoul Glaber, die in de eerste helft van de 11e eeuw over de gebeurtenissen schrijft, zouden de monniken van Cluny hiervoor kostbare voorwerpen uit de abdijkerk hebben omgesmolten. Zo zou het benodigde bedrag van 10.000 pond zilver zijn bijeengebracht. Het verhaal kan niet onafhankelijk worden bevestigd, maar laat wel zien hoe groot de financiële en symbolische betekenis van Mayeul voor Cluny is.

Relikwieën trekken pelgrims naar Cluny

Het jaar 981 betekent niet alleen de inwijding van CLUNY II, maar ook een belangrijke versterking van het prestige van de abdij.

Volgens de overlevering worden op 14 februari van dat jaar relikwieën van de apostelen Petrus en Paulus in het nieuwe hoogaltaar bijgezet. De kostbare relieken zijn afkomstig uit de Romeinse basiliek San Paolo fuori le Mura. Wanneer Rome in de vroege 10e eeuw door geweld en onrust wordt getroffen, brengen gevluchte monniken de reliekhouder met de as van de apostelen naar hun geestelijke verwanten in Cluny.

De abdij komt daarmee in het bezit van een thesaurus inestimabilis, een ‘onschatbare schat’. De relikwieën vergroten het aanzien van Cluny en trekken pelgrims aan. Samen met schenkingen en inkomsten uit missen voor de zielenrust van overledenen groeien de rijkdom en invloed van de abdij verder.

Cluny profiteert van deze groeiende pelgrimage door Europa. Vooral de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela is belangrijk. Langs de verschillende routes naar Noord-Spanje beheert de abdij een netwerk van kleinere priorijen en heiligdommen. Deze huizen bieden pelgrims onderdak en geestelijke verzorging, maar leveren de abdij ook inkomsten op. Zo ontstaat een netwerk dat niet alleen religieuze, maar ook economische betekenis heeft.

Onder abt Odilo krijgt Cluny bovendien een belangrijke rol in de herdenking van de doden. In 998 voert hij de jaarlijkse herdenking van alle overledenen op 2 november in. Deze traditie verspreidt zich over Europa en wordt later bekend als Allerzielen.

Een abdij met steeds meer macht

De groeiende macht van Cluny wordt ook zichtbaar in de privileges die de abdij krijgt:

Vrijstelling van alle belastingen

 Op 22 april 998 vaardigt paus Gregorius V een pauselijke bul uit waarin de vrijstelling van Cluny opnieuw wordt bevestigd. De abdij hoeft daardoor geen belastingen te betalen aan kerkelijke en wereldlijke autoriteiten, in ruil voor een symbolische jaarlijkse pacht aan Rome.

De bul is gericht aan abt Odilo en bevat een overzicht van 84 plaatsen en kloosters die onder Cluny vallen, verspreid van de Provence tot Bourgondië. Daaronder worden ook specifieke kloosters genoemd, zoals Charlieu en Sauxillanges.

Het muntrecht van de abdij

Ook op financieel gebied krijgt Cluny bijzondere rechten. In 930 verleent koning Raoul van Frankrijk aan de abten van Cluny het recht om munten te slaan. Paus Johannes XI bevestigt dit muntrecht in 931. De daadwerkelijke muntslag komt pas later op gang.

In de 12e eeuw verandert de economische situatie. De stad groeit en er wordt steeds meer met geld betaald, terwijl de inkomsten uit schenkingen teruglopen. De abdij krijgt daardoor met financiële problemen te maken. Op haar eigen land produceert zij dan nog maar ongeveer een kwart van wat nodig is om haar personeel te onderhouden. In deze periode wordt het bestaande muntrecht daadwerkelijk benut.

Tegen het einde van de 11e eeuw zijn de eerste Cluniacenzer munten bekend. Vanaf 1123 worden zilveren deniers en obolen geslagen. Dat gebeurt niet in Cluny zelf, maar in het versterkte château de Lourdon, ongeveer vijf kilometer ten noorden van de abdij.

De munten hebben een hoog zilvergehalte en zijn daardoor aantrekkelijk voor geldwisselaars. Toch blijven ze grotendeels binnen de bezittingen van de abdij in omloop.

Wanneer koning Lodewijk IX in 1239 een koninklijke munt in Mâcon laat vestigen, neemt de betekenis van de muntslag van Cluny af. In de loop van de 13e eeuw komt er een einde aan de eigen muntslag.

Cluny
abdijmuur Cluny

De abdij wordt een ommuurde wereld

Zoals veel abdijen in de Middeleeuwen krijgt ook Cluny een eigen ommuring. Deze beschermt het abdijcomplex en bakent het kloosterterrein af van de nederzetting die eromheen groeit. Vanaf de 11e eeuw maakt de eenvoudige omheining plaats voor een robuuste stenen muur. De abdijomwalling wordt ongeveer 1.350 meter lang en omsluit een terrein van circa 15 hectare. Er is nu een duidelijk onderscheid tussen de abdij en de stad ontstaan. De abdij ligt binnen haar eigen muren, terwijl de groeiende nederzetting aanvankelijk daarbuiten ligt. 

Pas tegen het einde van de 12e eeuw krijgt ook Cluny een afzonderlijke stadsmuur, met eigen torens, die de burgerlijke stad omsluit. Zo ontstaan twee verdedigingsringen: de binnenste rond de abdij en de buitenste rond de stad.

Van beide omwallingen zijn delen in het huidige Cluny nog herkenbaar. De Tour des Fromages maakt deel uit van de vroegere abdijomwalling en staat aan de rand van het oorspronkelijke abdijterrein. In de straten van het huidige Cluny zijn op verschillende plaatsen delen van het verloop van de stadsmuur nog herkenbaar.

De twee omwallingen hebben ieder een eigen functie: de binnenste beschermt het besloten abdijcomplex, de buitenste omsluit de groeiende middeleeuwse stad. Zo bestaat Cluny eeuwenlang uit twee duidelijk van elkaar gescheiden, maar nauw met elkaar verbonden werelden.

Cluny
placering noordelijke muur
Cluny
placering zuidelijke muur
Cluny
abdijmuur
Cluny
Tour de Fromage


De Ban sacré beschermt pelgrims en kooplieden

De macht van Cluny beperkt zich niet tot de muren van de abdij. Op 2 februari 1107 bevestigt paus Paschalis II de vrede van de ban sacré en breidt hij de bijbehorende privileges uit.

Binnen deze beschermde zone mogen geen kastelen worden gebouwd en is het heffen van tol verboden op de belangrijkste wegen binnen een straal van ongeveer veertig kilometer rond Cluny. De bescherming geldt voor iedereen die naar Cluny reist of de abdij weer verlaat.

De maatregel heeft onder meer te maken met een conflict tussen de abdij en de seigneur van Uxelles, die tol heft bij Aynard, een doorwaadbare plaats in de rivier de Guye. Abt Hugues de Semur beklaagt zich hierover bij paus Paschalis II. 

CLUNY III: de grootste kerk van middeleeuws Europa

De groei van de abdij leidt tot de bouw van een kerk die alle eerdere gebouwen in omvang moet overtreffen: CLUNY III. In 1088 vraagt abt Hugues de Semur aan de architect-monnik Gunzo om een ontwerp voor een nieuwe kerk te maken.

De bouw van de enorme kerk trekt de meest kundige handwerklieden uit de wijde omgeving aan. Metselaars, steenhouwers, schilders, timmerlieden en andere ambachtslieden zijn nodig voor de bouw en inrichting van het complex. Zij werken niet alleen voor de abdij, maar stellen hun vakmanschap ook ten dienste van de groeiende burgerij van Cluny.

De abdijkerk CLUNY III wordt iets ten noorden van de eerdere kerk CLUNY II gebouwd. De bouw duurt 42 jaar. Deze derde abdijkerk moet het ultieme huis van God op aarde worden en tegelijk de macht en de heiligheid van de Cluniacenzer orde uitdrukken.

De Spaanse koning Alphonso VI heeft nog een ereschuld aan de monniken van Cluny uitstaan en is bereid een deel van de financiering van de nieuwe abdijkerk op zich te nemen.

De enorme kerk is niet alleen ontworpen om indruk te maken. Ze is ook afgestemd op het dagelijkse ritme van de monniken, die hier dagelijks de zeven getijdengebeden zingen. De hoge gewelven versterken bovendien de klank van de gregoriaanse zang.

Al in 1095 wijdt paus Urbanus II het hoogaltaar in, terwijl de enorme kerk nog volop in aanbouw is.
Onder abt Petrus Venerabilis krijgt de kerk rond 1130 haar definitieve vorm, hoewel aan de narthex nog verder wordt gewerkt. Op 25 oktober 1130 wordt de abdijkerk plechtig ingewijd door paus Innocentius II, in aanwezigheid van meer dan duizend monniken.

Bij een kapittel dat door abt Petrus Venerabilis op 20 maart 1132 wordt bijeengeroepen, trekt een processie van 1.212 abten en monniken door de nieuw voltooide gebouwen.

Gunzo en Hézelon: de bouwmeesters van Cluny III

Volgens de overlevering krijgt de oude en bedlegerige Gunzo het idee voor de kerk na een bijzondere droom: 

Petrus, Paulus en Stefanus verschijnen aan hem en markeren met een koord de omtrek van de nieuwe abdijkerk. Petrus en Paulus zetten met het koord dat Stefanus om zijn arm draagt de afmetingen van de nieuwe kerk uit.
Ze vragen Gunzo Hugues ervan te overtuigen dat CLUNY II niet langer groot genoeg is voor de groeiende kloostergemeenschap.
De volgende ochtend staat Gunzo, tot ieders verbazing, op en gaat naar de kapittelzaal om de abt van de noodzaak van een nieuwe kerk te overtuigen.

Hézelon van Luik speelt een belangrijke rol bij de bouw van CLUNY III. Hij is afkomstig uit het gebied van het huidige Zwitserland en wordt kanunnik in Luik, waar hij een wetenschappelijke opleiding krijgt met een sterke nadruk op de wiskunde. Later wordt hij monnik in Cluny. Zijn technische kennis komt goed van pas bij de bouw van de enorme abdijkerk.

Voor de Middeleeuwen is het bijzonder dat zijn naam als bouwmeester bekend is. Abt Petrus Venerabilisnoemt Hézelon later in een brief aan de bisschop van Luik als een van de geleerden die vanuit Luik naar Cluny komen. Over Hézelon schrijft hij dat deze de bouw van de nieuwe kerk tot een goed einde heeft gebracht

Hugues de Semur
de monnik Gunzo op zijn bed, om hem hee Petrus, Paulus en Stefanus
Cluny
de monnik Gunzo naar abt Hugues de Semur met de boodschap van Petrus
Odo abbé Cluny
Inwijding van het hoogaltaar van Cluny III door paus Urbanus II, in 1095. De afbeelding is een tekening uit een Latijns manuscript.


De bouw van een ongekende abdijkerk

Met haar uitzonderlijke afmetingen en indrukwekkende torens is CLUNY III op dat moment de grootste kerk van het middeleeuwse Westen. Die positie behoudt zij bijna vier eeuwen. In 1506 geeft paus Julius II in Rome opdracht tot de bouw van de nieuwe Sint-Pieter. De oude basiliek wordt afgebroken en maakt plaats voor een kerk die uiteindelijk groter wordt dan CLUNY III en verliest de abdijkerk haar positie als grootste kerk.

 

De Maior Ecclesia is 187 meter lang en heeft een hoofdschip van 38,50 meter breed  Het grote transept strekt zich over ongeveer 73 meter van noord naar zuid uit en vormt een enorme dwarsruimte in de kerk. 

Onder het gewelf bereikt de kerk een hoogte van 29,50 meter. Deze nieuwe abdij heeft 300 ramen. De plattegrond telt vijf beuken, twee transepten, een kooromgang en straalkapellen, de abdij heeft vier kerktorens, waarvan alleen de achthoekige Clocher de l’Eau Bénite bewaard is gebleven.

Om een idee te geven van de grootte van de abdijkerk: de Notre Dame in Parijs is 30% kleiner dan de abdijkerk CLUNY III was.

Cluny
De Maior ecclesia maakte deel uit van een dicht kloostercomplex van uitzonderlijke omvang. De meeste gebouwen dateren uit de Middeleeuwen en zijn later uitgebreid (foto: afbeelding in de abdij)
Cluny
plattegrond van Cluny II en Cluny III

Wil je de verdwenen abdijkerk zelf stap voor stap ontdekken, lees dan Ontdekkingstocht door CLUNY III,
waarin je langs de overgebleven resten en de vroegere ligging van de Maior Ecclesia wordt geleid.

Cluny als centrum van kunst en cultuur

Onder Hugues de Semur ontwikkelt Cluny zich niet alleen tot een belangrijk religieus machtscentrum, maar ook tot een toonaangevend centrum van kunst en cultuur

De abdij kent een rijke liturgische traditie, waarin muziek, boeken en beeldende kunst een belangrijke plaats innemen. De psalmen worden meerdere malen per dag gezongen en de gregoriaanse zang wordt steeds verder verfijnd. De liturgie krijgt onder Hugues een ongekende pracht. Voor hem is schoonheid een middel om de gelovigen dichter bij God te brengen. Juist deze rijkdom en uitgebreide liturgie worden later door de Cisterciënzers bekritiseerd, omdat zij kiezen voor een soberder kloosterleven.

In het scriptorium werken kopiisten en miniaturisten aan rijkversierde manuscripten. Veel van deze boeken gaan in de loop der eeuwen verloren, maar enkele belangrijke voorbeelden zijn bewaard gebleven. Een bijzonder manuscript bevindt zich tegenwoordig in de Bibliothèque nationale de France in Parijs. Het in Cluny vervaardigde manuscript BnF Latin 17716 dateert uit het begin van de 13e eeuw en bevat teksten van en over Pierre le Vénérable, geïllustreerd met kleurrijke miniaturen. Zo zijn onder meer Pierre le Vénérable en zijn monniken afgebeeld, evenals de bouw van Cluny III en de wijding van het hoofdaltaar door paus Urbanus II.

Cluny
de overgebleven torens van de abdij
Cluny
we hebben geprobeerd tekening van de abdij CLUNY III over de stadsplattegrond van Cluny te leggen ©Christine van der Pol
Cluny
zuidelijke arm van het grote transept van CLUNY III (ID 204080530 @ Philippehalle | Dreamstime.com)


Hugues de Semur sterft in Cluny

Op paasmaandag 28 april 1109 overlijdt Hugues de Semur, de invloedrijke abt van Cluny die later heilig wordt verklaard. Hij sterft in de Chapelle Sainte-Marie van de abdij. Hugues maakt in 1095 nog de wijding van het koor van Cluny III mee, maar zal de voltooiing van de enorme abdijkerk in 1130 niet meer meemaken.

De abt wordt begraven in de Maior Ecclesia. Zijn overlijden veroorzaakt grote rouw binnen de Cluniacenzer gemeenschap. Een verslag uit die tijd spreekt over een uitzonderlijke rouw en beschrijft hoe overal wordt gejammerd en geklaagd. Veel religieuzen komen naar Cluny voor zijn begrafenis.

In de 13e eeuw worden relieken van hem verspreid over verschillende kerken, onder meer in Semur, Marcigny, Autun, Solesmes en Paray-le-Monial. Veel van zijn relikwieën worden in 1575 door de Hugenoten geplunderd of vernietigd.

Zijn opvolger, Pons van Melgueil, heeft grote moeite om in zijn voetsporen te treden. Hugues geldt als de abt onder wie de macht en uitstraling van Cluny een hoogtepunt bereiken.

Tegelijkertijd ontstaat met Cîteaux in 1098 een nieuwe monastieke beweging, die terug wil naar een soberder kloosterleven en een striktere toepassing van de Regel van Benedictus. De dood van Hugues in 1109 valt op een belangrijk keerpunt: Cluny staat op het hoogtepunt van zijn invloed, terwijl zich tegelijkertijd een nieuwe monastieke beweging aandient.

Cluny
kooromgang van CLUNY III volgens oude tekening
Cluny
oude tekening CLUNY III (bron: Gallica)


Cluny breidt zijn invloed uit

Over de regio: doyennés, de organisatie achter het netwerk

Het enorme netwerk van Cluny wordt op verschillende manieren georganiseerd. Daarbij ontstaan ook doyennés, ofwel decanaten, die een belangrijke rol spelen binnen het bestuur van de Cluniacenzer bezittingen. 

De belangrijkste functies zijn voedselvoorziening, strategische bescherming en verdediging, en het beheer en de systematische controle van de uitgestrekte bezittingen van de abdij.

Bezornay
decanaat Bezornay
Saint Hippolyte
decanaat Saint-Hippolyte

Over Europa

De invloed van Cluny blijft niet beperkt tot Bourgondië. Vanaf de 10e eeuw ontstaat een snel groeiend netwerk van kloosters en priorijen dat zich over grote delen van Europa verspreidt. Sommige bestaande kloosters nemen de Cluniacenzer hervormingen over, andere worden rechtstreeks onder het gezag van de abt van Cluny geplaatst. Daardoor ontstaat een organisatie die voor die tijd uitzonderlijk groot en centraal bestuurd is.

Onder opeenvolgende abten breidt het netwerk zich steeds verder uit. Vanuit Cluny bereiken de hervormingen onder meer Frankrijk, Italië, Spanje, Duitsland, Zwitserland en Engeland. Kloosters en priorijen worden niet alleen plaatsen voor gebed, maar vormen samen een internationaal netwerk waarin dezelfde liturgie, leefregels en bestuurlijke structuur worden gevolgd.

De omvang van dit netwerk groeit in de 11e en het begin van de 12e eeuw explosief. Bij het overlijden van Hugues de Semur in 1109 omvat de Cluniacenzer organisatie meer dan 1.00 kloosters en afhankelijke huizen verspreid over Europa. Cluny behoort nu tot de belangrijkste religieuze organisaties van het middeleeuwse Europa. Hier vind je een interactieve kaart van de verspreiding van Cluny.

De abdij heeft bovendien invloed op de hervorming van andere kloosters. Abten, monniken en geleerden uit Cluny reizen door Europa en brengen hun ideeën en gebruiken mee. Zo verspreidt de Cluniacenzer hervorming zich ver buiten de muren van de abdij zelf.

Deze expansie maakt Cluny bijzonder machtig. De abt van Cluny staat niet alleen aan het hoofd van één klooster, maar van een groot netwerk van religieuze gemeenschappen. Daardoor kan Cluny invloed uitoefenen op kerkelijke en politieke ontwikkelingen in verschillende delen van Europa.

Van hervorming naar verval

Vanaf de 12e eeuw neemt de invloed van Cluny geleidelijk af. Nieuwe kloosterorden, zoals de Cisterciënzers, spreken steeds meer monniken aan met hun nadruk op eenvoud en soberheid. Tegelijkertijd ondermijnen politieke en economische problemen de machtspositie van de abdij.

Aan het einde van de Middeleeuwen volgt nog één laatste opleving. Abt Jean de Bourbon (1456–1480) herstelt de kloosterdiscipline door streng toe te zien op de naleving van de Regel van Benedictus, het gemeenschapsleven, de gehoorzaamheid en de persoonlijke armoede.

Zijn opvolger Jacques II d’Amboise (1481–1510) zet deze hervormingen voort. Beiden laten bovendien indrukwekkende abdijpaleizen bouwen die het aanzien en de status van Cluny opnieuw moeten onderstrepen. De hervormingen geven de abdij tijdelijk nieuw leven, maar kunnen de geleidelijke neergang niet keren.

Van gekozen abt naar abt van de koning

In de eerste eeuwen van Cluny kiezen de monniken zelf hun abt. Dat geldt ook voor de grote abten die de abdij in de 10e, 11e en 12e eeuw tot grote bloei brengen. De abt komt uit de eigen kloostergemeenschap en staat aan het hoofd van zowel het religieuze leven als het bestuur van de abdij.

Vanaf het midden van de 15e eeuw verandert deze situatie. In Frankrijk krijgt de koning steeds meer invloed op de benoeming van belangrijke abten en ontstaat geleidelijk het systeem van de commende. De abt hoeft niet langer zelf als monnik in de abdij te leven. Hij ontvangt de inkomsten van de abdij en bekleedt een belangrijke bestuurlijke en kerkelijke positie, terwijl de dagelijkse leiding van het klooster bij de monniken en de prior blijft. In sommige gevallen zijn de abten zelfs afkomstig uit machtige adellijke families of uit de hoogste kringen van de Franse kerk en het hof.

Jean de Bourbon en Jacques d’Amboise: de overgang

Jean de Bourbon vormt een belangrijke overgang tussen de oude en de nieuwe situatie. Hij wordt in 1456 door de monniken van Cluny unaniem tot abt gekozen, nadat koning Karel VII hem bij de gemeenschap heeft aanbevolen. Zijn abbataat van 1456 tot 1485 behoort tot de laatste grote periodes van de abdij. Hij hervormt het kloosterleven en laat ook nieuwe gebouwen bouwen, waaronder zijn eigen abdijpaleis en kapel in de kerk.

In 1485 treedt Jean de Bourbon af ten gunste van Jacques d’Amboise. Ook hij zet de hervormingen voort en laat een nieuw abdijpaleis bouwen. Met deze twee abten zie je de overgang van een abdij waarvan de monniken zelf hun leider kiezen naar een periode waarin de invloed van de Franse koning op de benoeming steeds groter wordt.

De commendataire abten

Vanaf deze ontwikkeling ontstaat in Cluny de lange periode van de commendataire abten, die volgens het Centre des monuments nationaux loopt van 1456 tot 1790. In die periode leiden 21 commendataire abten de abdij. Het zijn vaak leden van machtige families of invloedrijke geestelijken uit de omgeving van het koninklijk hof.

Onder hen bevinden zich Claude de Guise, Emmanuel-Théodose de La Tour d’Auvergne en later de beroemde kardinalen Richelieu en Mazarin. Zij behoren tot een heel andere generatie dan de grote middeleeuwse abten van Cluny. De abdij blijft rijk en invloedrijk, maar de positie van de abt is inmiddels sterk verbonden met de Franse politieke macht.

Het systeem blijft bestaan tot de Franse Revolutie. In 1790 worden de religieuze orden opgeheven en komt ook een einde aan de eeuwenlange reeks abten van Cluny.

De Hugenotenoorlogen luiden het einde in

Het herstel blijkt van korte duur. In de 16e eeuw krijgt Cluny opnieuw zwaar te verduren. Tijdens de Hugenotenoorlogen wordt de abdijstad meerdere malen getroffen door geweld.

In 1567 zijn opnieuw protestantse troepen in de streek actief. In november van dat jaar trekt de bevelhebber Poncenac met enkele duizenden hugenoten vanuit de omgeving van Paray-le-Monial richting Cluny.

De inwoners vrezen een nieuwe plundering en besluiten de stad vrij te kopen. Zij betalen een losprijs van 6.000 livres, niet alleen in geld, maar ook in zilverwerk, stoffen, voedsel en andere goederen. Een bewaard gebleven kwitantie vermeldt dat zes inwoners van Cluny de betaling namens de stad overhandigen.

Na het vertrek uit Cluny trekt het protestantse leger verder naar Saint-Gengoux-le-Royal. Daar wordt een nog hogere belasting opgelegd. Volgens de overlevering wordt er gezegd: « la petite cité avait payé pour Cluny ».

Na deze woelige periode weet de abdij zich gedeeltelijk te herstellen, maar haar vroegere macht keert niet terug. Ook de benoeming van invloedrijke abten als de kardinalen Richelieu en Mazarin brengt daarin geen wezenlijke verandering. Zij beschikken over aanzien en politieke invloed, maar de eeuwen waarin Cluny een van de machtigste abdijen van Europa is en een groot netwerk van kloosters bestuurt, zijn voorbij.

Cluny
kloostergang abdij Cluny
Cluny
kloostergang abdij Cluny (ID 67239801 @ Philippehalle | Dreamstime.com)


Een nieuwe uitstraling voor de abdij

Kort na zijn benoeming tot abt van Cluny in 1629 laat kardinaal Richelieu midden in de gevel van het Palais du Pape Gélase een monumentale toegangspoort in Louis XIII-stijl aanbrengen: de Porte de Richelieu.

Met deze nieuwe ingang wil hij het abdijcomplex verfraaien en moderniseren, maar ook zijn eigen gezag als kardinaal-abt zichtbaar onderstrepen.

De geschiedenis van de poort krijgt later een opmerkelijke wending. In 1873 wordt zij tijdens een restauratie ontmanteld, omdat architect Charles Laisné de oorspronkelijke gotische gevel van het paleis wil reconstrueren. De losse onderdelen verdwijnen uit het zicht en worden pas in de jaren zestig teruggevonden in een kelder van de abdij.

Aan het begin van de 21e eeuw wordt de Porte de Richelieu na een restauratie van zes maanden opnieuw opgebouwd op de binnenplaats van de abdij. Een deel van het fries ontbreekt dan nog. Dat wordt in 2010 bij toeval teruggevonden en in 2011 op zijn oorspronkelijke plaats teruggezet.

porte de Richelieu

Een klooster in classicistische stijl

Rond 1750 ondergaat de abdij van Cluny haar laatste grote vernieuwing. Net als veel andere abdijen in Frankrijk besluit men de verouderde middeleeuwse kloostergebouwen grotendeels af te breken en te vervangen door een ruim opgezet complex in de toen moderne classicistische stijl. Het nieuwe klooster wordt vrijwel op dezelfde plaats gebouwd als het romaanse klooster. Dat oudere klooster strekte zich in de 12e eeuw uit over ongeveer de omtrek van het schip van Cluny II en wordt na de bouw van CLUNY III afgebroken.

Het nieuwe klooster ligt rond een centrale tuin en heeft een duidelijke, regelmatige opbouw. Rondom de tuin liggen vier vleugels met brede galerijen. In iedere muur bevinden zich elf rondbogen, die toegang geven tot de galerijen met graatgewelven. Daarboven ligt een verdieping met boven iedere arcade een eenvoudig rechthoekig venster. De galerijen geven toegang tot de kloostercellen. In het midden van het complex bevindt zich een ruime centrale vestibule, die via drie openslaande deuren uitkomt op het park.

De architectuur is sober en functioneel, maar tegelijk monumentaal. De vormgeving sluit aan bij de architectuur van de burgerlijke gebouwen uit die tijd. De gevels worden verlevendigd door regelmatige raamomlijstingen en krachtige kroonlijsten die de verschillende verdiepingen benadrukken. De bovenbouw wordt afgesloten door een groot hoofdgestel met lijstwerk en een dak met platte dakpannen.

Bijzonder zijn de decoratieve ankers aan de gevels. Deze hebben de vorm van uitspringende, gebeeldhouwde motieven en zijn uitgevoerd in de rocaille-stijl. Hetzelfde decoratieve werk is oorspronkelijk ook terug te vinden rond de gebogen bovendorpels van de vensters. Het middelste paviljoen van het complex wordt bekroond door een driehoekig fronton. De beeldhouwkunst daarin is later helaas grotendeels verwoest; oorspronkelijk toont het fronton het blazoen van de abdij, opgenomen in een lijst in rocaille-stijl.

Ook de tuin krijgt een verzorgde aanleg. Op de plaats van de huidige bloemperken staan vroeger rijen buxus en appelbomen. De galerijen en de centrale tuin vormen zo het dagelijkse decor van het kloosterleven: een plaats voor meditatie, maar ook voor het gemeenschappelijke leven van de monniken.

Frère Placide: de siersmid van de abdij

Bijzonder zijn de beschilderde en vergulde smeedijzeren balustrades. Ze geven het complex een rijk accent en zijn het werk van Jean Julien, een talentvolle siersmid die als monnik de naam frère Placide draagt. Ook de monumentale trapleuningen, balkonbalustrades en verschillende andere ijzeren sierwerken worden aan hem toegeschreven. Hier lees je het hele verhaal van frère Placide.

frere Placide
balustrade in de abdij, gemaakt door frère Placide
frere Placide
smeedsierwerk in de abdij, gemaakt door frère Placide
Cluny
plattegrond abdij 1790

 

Hoewel het nieuwe complex modern oogt, blijft de traditionele indeling van het klooster herkenbaar: de galerijen vormen de verbinding tussen de verschillende vertrekken en geven toegang tot de abdijkerk. 

Tegelijkertijd betekent deze vernieuwing dat een groot deel van het middeleeuwse kloostercomplex voorgoed verdwijnt. De monniken kunnen maar enkele decennia van hun nieuwe onderkomen genieten. Enkele decennia later maakt de Franse Revolutie definitief een einde aan het kloosterleven in de abdij.

De Franse Revolutie maakt een einde aan het kloosterleven

De laatste mis in de abdij van Cluny

Na bijna negen eeuwen komt tijdens de Franse Revolutie definitief een einde aan het kloosterleven in Cluny. Op 13 februari 1790 worden de religieuze orden opgeheven en worden de bezittingen van de abdij genationaliseerd.

Op 25 oktober 1791 wordt in de abdijkerk de laatste mis opgedragen. Slechts twaalf monniken zijn daarbij nog aanwezig. Kort daarna moeten ook zij de abdij verlaten. Tussen 910 en 1790 hebben bijna 70 abten de abdij van Cluny geleid.

Het eeuwenoude klooster komt leeg te staan en raakt vervolgens ten prooi aan plundering en verval.

De sloop van de abdij

Na het vertrek van de laatste monniken wordt de abdij door de revolutionairen gezien als een symbool van het ancien régime. De katholieke kerk wordt beschouwd als een verlengstuk van de monarchie en haar bezittingen worden genationaliseerd. De abdij wordt vervolgens het doelwit van een systematische ontmanteling, waarbij niet alleen de gebouwen maar ook de inventaris en waardevolle materialen verdwijnen.

In 1793 begint de plundering. Beelden en praalgraven worden vernield, glas-in-loodramen ingegooid en het meubilair verwijderd. Ook de grote bibliotheek en een belangrijk deel van het archief gaan verloren.

Tussen medio 1793 en begin 1794 worden klokken, ornamenten, hekwerken en andere onderdelen uit de abdij verwijderd. In totaal wordt ongeveer dertien ton ijzer afgevoerd. In 1794 stellen Louis Colas en Claude Philibert, in opdracht van de gemeente, een taxatie op van de abdij en haar bijgebouwen. Een voorbereiding op de verkoop van het complex.

Opvallend is dat de abdij nog maar enkele jaren eerder volop in gebruik is. In 1781 worden nieuwe koorbanken in de abdijkerk geplaatst onder leiding van Dom Lorain. De banken kosten maar liefst 40.000 frank.

Nog geen twintig jaar later zijn dezelfde koorbanken vrijwel niets meer waard. In 1799 worden ze voor slechts 2.000 frank verkocht aan Gelin, een kruidenier, Paul Martin, de voormalige pastoor van Bray, en de slager Bruys. De verkoopprijs wordt destijds omschreven als « une somme dérisoire », een belachelijk lage prijs.

Het enorme verschil tussen de oorspronkelijke investering en de uiteindelijke verkoopprijs laat zien hoe snel de abdij verandert van een gerespecteerd kloostercentrum in een complex waarvan inventaris en gebouwen worden ontmanteld en verkocht.

Verdeeld in vier percelen

De staat maakt vervolgens plannen om het enorme abdijcomplex te verkopen. Op 21 april 1798 deelt hoofdingenieur Pierre Jean Guillemot het enorme abdijcomplex op in vier percelen. Om deze vier percelen van elkaar te scheiden en de verkoop mogelijk te maken, worden twee nieuwe, loodrecht op elkaar staande straten door het abdijterrein aangelegd. De noord-zuidlopende straat krijgt van veel inwoners de weinig vleiende bijnaam ‘rue scélérate’, de ‘schurkenstraat’.

Later in het jaar wordt het complex als nationaal bezit verkocht. Het uitgestrekte landgoed brengt 2.140.000 frank op. De abdij zelf, verdeeld over de vier percelen, komt voor slechts 60.000 frank in handen van handelaren uit Mâcon.

De gebouwen worden vervolgens verder ontmanteld en de natuurstenen worden als bouwmateriaal verkocht. Ze vinden een nieuwe bestemming in huizen in Cluny en zelfs in stallen voor revolutionaire troepen.

De afbraak van de abdijkerk gaat nog jarenlang door. In 1811 worden ook delen van het grote en kleine transept gesloopt. Zo verdwijnt in enkele decennia een groot deel van een monument dat eeuwenlang tot de belangrijkste religieuze gebouwen van Europa heeft behoord.

Cluny
Clocher de l'Eau Bénite en de Tour de l'Horloge

Van abdij naar keizerlijke stoeterij

Na de ontmanteling krijgt een deel van het voormalige abdijcomplex een geheel nieuwe bestemming.

Op 27 februari 1806 koopt de stad Cluny de Hostellerie de Saint-Hugues, met de stallen op de begane grond, van een particulier. De aankoop houdt verband met een verzoek van de stad aan de staat om in Cluny een hengstendepot te vestigen.

Dat verzoek wordt op 4 juli 1806 ingewilligd bij keizerlijk decreet van Napoleon I. Cluny wordt daarmee een van de dertig nieuwe hengstendepots die in Frankrijk worden opgericht.

De eerste directeur is de graaf de Nompère, bijgestaan door een dierenarts en een accountant. Het depot levert paarden voor de fokkerij en indirect ook voor het leger van Napoleon, dat grote aantallen paarden nodig heeft.

Paarden boven op het verdwenen koor

De geschiedenis van het Haras national de Cluny kent een bijzonder detail. Een deel van het huidige terrein ligt op de plaats waar ooit het koor van CLUNY III stond. De paarden staan nu boven op de resten van de middeleeuwse abdijkerk.

Volgens oude bronnen bevinden zich onder dit terrein bovendien graven van monniken en zou ook het graf van abt Hugues de Semur, de grote bouwheer van CLUNY III, hier liggen.

Archeologisch onderzoek heeft in het gebied inderdaad verschillende middeleeuwse graven aangetoond. Deze kunnen echter niet zonder meer aan specifieke abten worden toegeschreven.

de Écuries t.o.v. CLUNY III
Haras
Haras de Cluny: Écurie 2


Stallen gebouwd met stenen van de abdijkerk

De eerste paarden worden ondergebracht in de bestaande gebouwen. In 1814 verhuist het hengstendepot naar de stallen die speciaal voor deze functie worden gebouwd. Daarbij worden op grote schaal stenen van de afgebroken abdijkerk gebruikt. 

De bouw van de stallen gaat vervolgens nog decennialang door, van 1807 tot 1880. In het voorjaar worden de dekhengsten vanuit Cluny verdeeld over verschillende fokkerijen in Bourgondië. Zo krijgt een deel van het voormalige abdijcomplex een nieuwe functie die niets meer met het kloosterleven te maken heeft, maar wel opnieuw een belangrijke rol in de regio gaat spelen.

Van de Maior Ecclesia blijft weinig over

Nog geen dertig jaar na de Franse Revolutie is van de enorme Maior Ecclesia, ooit de grootste kerk van het middeleeuwse Westen, nog maar weinig over. Van Cluny III blijft tegenwoordig ongeveer acht procent bewaard. Toch geven de overgebleven delen een indruk van de enorme omvang van de voormalige abdijkerk.

Van de middeleeuwse abdij zijn nog verschillende onderdelen zichtbaar. Zo zijn delen van het klooster, de kloostergang, de kapittelzaal, het Palais Gélase, enkele kapellen, delen van de ommuring en verschillende torens bewaard gebleven. Aan de westzijde herinneren de Portes d’Honneur aan de monumentale toegang tot de abdij. Samen geven deze resten een beeld van de enorme omvang en complexiteit van het voormalige kloostercomplex.

Van de vier oorspronkelijke monumentale kerktorens blijft alleen de Tour de l’Eau Bénite behouden. Deze achthoekige toren is rijk versierd. De onderste geleding draagt een fries met kruismotieven, terwijl de tweede geleding is voorzien van een parelfries. De elegante piramidevormige spits uit de 15e eeuw is kenmerkend voor de Cluniacenzer bouwkunst en keert onder meer terug in de basiliek van Paray-le-Monial.

Naast de Tour de l’Eau Bénite blijft ook de Tour de l’Horloge behouden. Deze vierkante toren dateert uit de 12e eeuw en wordt aan het begin van de 18e eeuw verhoogd met een extra verdieping voor de klokken. De toren behoort niet tot de vier grote torens van de abdijkerk.

Cluny vandaag

De belangstelling voor Cluny neemt in de 20e eeuw opnieuw toe. Archeologisch onderzoek, onder meer de opgravingen van Kenneth John Conant, zorgt voor een steeds beter beeld van het verdwenen complex.

Dankzij archeologische opgravingen, oude plattegronden en bouwhistorisch onderzoek kunnen de contouren en afmetingen van veel verdwenen gebouwen tegenwoordig opnieuw worden gereconstrueerd. Op verschillende plaatsen zijn de lijnen van de voormalige gebouwen zichtbaar gemaakt.

In de abdij is een indrukwekkende 3D-reconstructie te bekijken. Deze laat zien hoe de Maior Ecclesia er ooit moet hebben uitgezien, met rijk versierde zuilen, marmeren vloeren, kleurrijke fresco’s en een zee van licht.

Het Centre d’études clunisiennes heeft inmiddels meer dan 25.000 bouwfragmenten gelokaliseerd, teruggekocht of geschonken gekregen. Een selectie daarvan is te zien in het Palais Jean de Bourbon.

Een houten maquette in de abdij laat zien hoe klein het gedeelte is dat daadwerkelijk bewaard is gebleven. Toch blijven deze resten indrukwekkend en trekken jaarlijks meer dan honderdduizend bezoekers, die komen kijken naar wat nog over is van een abdij die ooit tot de machtigste kloosters van Europa behoort.

Wil je de verdwenen abdijkerk zelf stap voor stap ontdekken, lees dan Ontdekkingstocht door CLUNY III,
waarin je langs de overgebleven resten en de vroegere ligging van de Maior Ecclesia wordt geleid.

Cluny
alleen de donker gekleurde delen van deze maquette zijn nog over van Cluny III


Een verborgen schat in de abdijtuinen

In 2017 doen archeologen in de tuinen van Cluny een uitzonderlijke vondst. Tijdens onderzoek naar de middeleeuwse ziekenboeg die onder abt Pierre le Vénérable is aangelegd, ontdekken zij een klein, met leer gevoerd stoffen buideltje dat bijna negen eeuwen verborgen heeft gelegen. 

De inhoud bestaat uit 2.113 zilveren denarii, 151 obolen, 21 gouden dinars, een gouden zegelring met een antieke afbeelding van Herakles, bladgoud en een klein gouden object

Maar de vondst roept vooral vragen op. Waarom wordt zo’n kostbare verzameling begraven en waarom wordt zij nooit opgehaald? Ging het om het verborgen privébezit van een monnik, om geld van de cellerier of behoorde de schat toe aan een hooggeplaatste geestelijke? 

Vooral de gouden ring voedt het mysterie: mogelijk is hij van Héracle de Montboissier, aartsbisschop van Lyon en broer van Pierre le Vénérable. Zeker is dat niet. Juist omdat niemand weet van wie de schat was en waarom hij onder de abdijtuin verdween, vormt deze vondst een intrigerende blik op het leven binnen Cluny in de twaalfde eeuw.

In de Passage Galilée van de abdij kun je deze uitzonderlijke archeologische vondsten bezichtigen.

Lees op zuidbourgogne.nl het hele verhaal van dit duizend jaar oude mysterie.

Cluny
Cluny
Cluny
Cluny


Op ontdekkingstocht door CLUNY III

Van CLUNY III is na de Franse Revolutie slechts een klein deel bewaard gebleven, maar op het huidige abdijterrein zijn nog verrassend veel sporen terug te vinden. 

De Portes d’Honneur, de Tours Barabans, de narthex, de Passage Galilée, de resten van het zuidelijke transept, de kloostergang, verschillende kapellen, de Clocher de l’Eau Bénite en de abdijtuinen vertellen ieder een deel van het verhaal. De Chapelle de Jean Bourbon heeft zijn eigen verhaal.

Wil je de verdwenen abdijkerk zelf stap voor stap ontdekken, lees dan Ontdekkingstocht door CLUNY III,
waarin je langs de overgebleven resten en de vroegere ligging van de Maior Ecclesia wordt geleid.

meer lezen over de abdij van Cluny op zuidbourgogne.nl:

meer lezen over Cluny op zuidbourgogne.nl:

bronnen

Testamentum Willelmi; de stichtingsoorkonde
Cartulaire A de Cluny
Cartulaire B de Cluny
Cartulaire C de Cluny
Vita Maioli
Vita Odilonis
Vita Hugonis
Consuetudines Cluniacenses
Brieven en werken van Petrus Venerabilis
La reconstruction de lábbaye de cluny au XVIIIe siecle; Centre d’Etudes clunisiennes
Sites clunisiens en Europe; Christophe Vorop
Romaanse kunst; Rolf Toman
Herbouwd Verleden; Tellinger en Engelbregt
De abdij van Cluny; Centre des Monuments Nationaux

https://bourgognemedievale.com
https://www.cluny-abbaye.fr/
www.persee.fr
www.brionnais.fr

huis in bourgogne

Huis huren?

Geïnteresseerd in een vakantiehuis in deze omgeving?