Cluny

Cluny: opkomst, macht en ondergang van een abdij

In het zuiden van de Bourgogne liggen de indrukwekkende resten van de abdij van Cluny.
Ooit is dit benedictijnse klooster het spirituele hart van Europa en
het centrum van een enorm netwerk van kloosters en priorijen.

Cluny staat bekend om zijn rijke liturgie, zijn invloed op kunst en architectuur en zijn belangrijke rol in de hervorming van het kloosterleven.
De abdij groeit uit tot een religieus en cultureel machtscentrum met een invloed die tot ver buiten Bourgondië reikt.

Van de enorme abdijkerk CLUNY III, ook wel de Maior Ecclesia genoemd,
blijft na de Franse Revolutie en de daaropvolgende afbraak minder dan tien procent over.
Toch geven de bewaard gebleven delen, de archeologische resten en de moderne reconstructies
een beeld van de uitzonderlijke omvang van het middeleeuwse complex.

De plek voor een nieuwe abdij

In 910 schenkt Guillaume I d’Aquitaine, ook Guillaume le Pieux of Willem de Vrome genoemd, zijn domein bij Cluny om er een klooster te stichten. Hij is hertog van Aquitanië en graaf van Mâcon. Het domein ligt in een vruchtbare vallei aan de rivier de Grosne, op enige afstand van de Saône.

Het landgoed is al vóór 910 een oud bezit. Uit onderzoek naar de vroegste akten blijkt dat Cluny oorspronkelijk eigendom is van de bisschop van Mâcon. In 802 ruilt de bisschop villa Cluny en een andere villa met de graaf van Mâcon tegen drie andere villae. Daarna komt het domein in handen van Ava, ook Hava genoemd, de zuster van Guillaume.

De Karolingische villa omvat wijngaarden, boomgaarden, weiden, bossen, molens en zelfs waterpartijen. Op het terrein staat ook een kleine, aan de Notre-Dame gewijde kapel. Hoe de eerste monniken, die in 910 met Bernon aankomen, deze kapel gebruiken of veranderen, weten we niet. Ook de precieze ligging ervan is niet bekend.

In haar testament laat Ava het domein aan haar broer na. De latere stichtingsakte van 910 vermeldt expliciet dat Guillaume het bezit van haar heeft verkregen.

De ligging biedt verschillende voordelen voor een klooster. De vallei is dunbevolkt en ligt niet direct aan een belangrijke rivierroute. Daardoor is de plek minder kwetsbaar voor aanvallen vanaf het water, zoals de abdij van Tournus tijdens de invallen van de Noormannen heeft ervaren. Tegelijkertijd biedt de omgeving vruchtbare landbouwgrond, wijngaarden en voldoende natuursteen voor de bouw.

De stichting van Cluny in 910

Cluny
zicht op de achterzijde van de abdij vanuit de abdijtuin

De abdij wordt officieel gesticht op 11 september 910. Dat blijkt uit de oorspronkelijke stichtingsakte, die in Bourges wordt opgesteld en waarvan het origineel wordt bewaard in de Bibliothèque nationale de France.

In deze oorkonde schenkt Guillaume zijn domein in Cluny aan de heilige apostelen Petrus en Paulus om er een klooster te stichten. Hij bepaalt dat de monniken er volgens de Regel van Benedictus leven. Tegelijkertijd plaatst hij het nieuwe klooster rechtstreeks onder de bescherming van de paus. Daarmee wil hij de monniken onafhankelijkheid garanderen tegenover zowel de koninklijke macht als plaatselijke wereldlijke en kerkelijke machthebbers.

Deze constructie is voor die tijd bijzonder. Cluny valt niet onder het gezag van een plaatselijke seigneur of bisschop en krijgt daardoor een grote mate van zelfstandigheid. Deze bepaling vormt een belangrijke basis voor de groeiende invloed van de abdij.

Berno en de eerste monniken

Voor de nieuwe stichting vraagt Guillaume aan Berno, abt van Gigny en Baume-les-Messieurs in de Jura om abt van Cluny te worden. Berno arriveert in Cluny met twaalf monniken: zes uit Baume-les-Messieurs en zes uit Gigny.

Samen beginnen zij een nieuw klooster volgens de Regel van Benedictus. Hun leven staat in het teken van gebed, arbeid en gehoorzaamheid. De strikte naleving van de Benedictijnse regel en de uitgebreide liturgie trekken al snel nieuwe monniken aan.

De gemeenschap ziet het bovendien als haar taak om zorg te dragen voor de zwaksten in de samenleving, onder wie armen, pelgrims, vluchtelingen, wezen en weduwen.

Cluny
Guillaume d'Aquitanië geeft de abdij aan Berno
Cluny
het dorp Beaume-les-Messiers, met links de abdij van Beaume


De stad groeit rond de abdij

De aantrekkingskracht van de abdij brengt al snel welvaart naar Cluny. Ambachtslieden, handelaren en pelgrims vestigen zich in de omgeving en het dorp groeit in de loop van de eeuwen uit tot een bloeiende stad.

Ook lekendienaren die voor de abdij werken, bouwen hun huizen buiten de kloostermuren. Zij zijn bijvoorbeeld bakker, slager, timmerman, steenhouwer, wever of kapper. In ruil voor hun diensten genieten zij de bescherming van de abdij, een belangrijk voorrecht in een periode van feodale twisten en geweld.

Lekenbroeders met praktische of ambachtelijke taken kunnen bovendien wonen in het Malgouverne, een gebouwencomplex aan de zuidzijde van het abdijterrein, naast de Tour des Fromages.

De groei van de abdij en de komst van ambachtslieden en handelaren bepalen steeds sterker het karakter van de nederzetting. Het huidige middeleeuwse stadsbeeld van Cluny is daar nog altijd een herinnering aan. In de stad staat zelfs wat wordt aangeduid als het oudste woonhuis van Frankrijk.

Cluny
overblijfselen van het Malgouverne, ooit deel van het abdijcomplex


Cluny wordt groter en krijgt steeds meer invloed

In de eeuwen na de stichting groeit Cluny uit tot het centrum van een ongekend religieus netwerk. Op het hoogtepunt zijn meer dan 1.400 kloosters en priorijen met Cluny verbonden. Aan het begin van de 12e eeuw telt het netwerk meer dan 10.000 monniken.

Uniformiteit, discipline en een gezamenlijke liturgie staan centraal. In de aangesloten Cluniacenzer kloosters bevinden zich dezelfde ruimten die noodzakelijk zijn voor het monastieke leven: een kerk, kloostergang, kapittelzaal, refter, slaapzaal, ziekenboeg en woning van de prior of abt. Daarnaast zijn er werkplaatsen, tuinen, een watervoorziening, een graanmolen, meelschuur en voorraadruimten. We kennen deze abdij als CLUNY I.

Om die eenheid te waarborgen, laat Cluny al vroeg andere kloostergemeenschappen de moederabdij bezoeken. Tijdens deze bezoeken dient Cluny als voorbeeld voor de inrichting en organisatie van de aangesloten huizen.

Onder abten als Odo, Odilo, Hugues de Semur en Petrus Venerabilis beleeft Cluny zijn bloeitijd. De Cluniacenzer hervormingen richten zich op een strikte naleving van de Regel van Benedictus, een verfijnde liturgie en een sterke centrale organisatie. De aangesloten kloosters staan rechtstreeks onder het gezag van de abt van Cluny.

De abt staat er niet alleen voor. Zijn rechterhand is de grootprior, die hem bijstaat bij het bestuur van de abdij en hem bij afwezigheid vervangt. De grootprior houdt zich bezig met zowel geestelijke als wereldlijke zaken en kan namens de abt de aangesloten Cluniacenzer kloosters bezoeken en daar bestuurlijke en disciplinaire bevoegdheden uitoefenen. Ook zijn positie binnen de abdij is duidelijk zichtbaar: hij neemt de eerste plaats in het koor in en zit in de refter aan de rechterhand van de abt.

De abten beschikken tevens over wereldlijke macht. Zij spreken recht, heffen belastingen, mogen munten slaan en regelen openbare zaken. Cluny ontwikkelt zich daardoor tot een combinatie van klooster, stad en vesting.

Ook binnen de kerk neemt de abt van Cluny een uitzonderlijke positie in. Tussen de 10e en 12e eeuw behoort hij tot de meest invloedrijke geestelijken van Europa. Hij krijgt het voorrecht om bepaalde pontificale insignes te dragen die normaal zijn voorbehouden aan bisschoppen en de paus, waaronder de staf, sandalen en mijter.

Cluny krijgt steun van koning en paus

Franse kroon

De Franse koning heeft belang bij de groeiende invloed van Cluny. Terwijl de kroon haar centrale macht probeert te versterken ten koste van de lokale edelen, vormt de abdij een belangrijke bondgenoot tegenover deze regionale machthebbers.

Rome

De invloed van Cluny reikt ook tot Rome. Uit de Cluniacenzer kring komen verschillende pausen voort, onder wie Gregorius VII, Urbanus II en Anacletus II. Vooral Gregorius VII onderhoudt nauwe banden met Cluny en speelt een belangrijke rol in de Gregoriaanse Hervorming, die de onafhankelijkheid van de kerk ten opzichte van wereldlijke machthebbers wil versterken.

Vanuit Cluny wordt deze hervormingsbeweging ondersteund. Er wordt gestreden tegen simonie, waarbij kerkelijke ambten tegen betaling worden verkregen, en tegen het Nicolaitisme, de benaming voor het niet naleven van het celibaat door geestelijken. De nauwe banden met de hervormingsgezinde paus Gregorius VII versterken de positie van Cluny binnen de hervormingsbeweging die in de 11e eeuw de katholieke kerk verande

Ook paus Urbanus II onderhoudt nauwe banden met Cluny. Hij noemt de abdij Lux Mundi, het ‘Licht der Wereld’. Deze eretitel onderstreept de uitzonderlijke spirituele en culturele uitstraling die Cluny in deze periode heeft.

CLUNY II: een grotere abdijkerk

De eerste abdijkerk, CLUNY I (ca. 910–927), is een eenvoudige eenbeukige basiliek, gebouwd volgens het sobere benedictijnse ideaal. De abdij groeit echter snel en de kerk wordt al gauw te klein.

In de tweede helft van de 10e eeuw laat abt Mayeul daarom een veel grotere kerk bouwen: CLUNY II (ca. 955–981). Deze kerk krijgt drie beuken, een dubbel transept, een crypte en twee westtorens. Vooral de hoge klokkentoren groeit uit tot een symbool van de macht en uitstraling van de abdij.

CLUNY II wordt in februari 981 ingewijd door bisschop Hugues van Bourges. Onder Mayeul neemt de macht van de abdij sterk toe. Hier wordt de basis gelegd voor de grote bloei van Cluny in de 11e eeuw en uiteindelijk voor de bouw van CLUNY III.

Cluny


Mayeul door de Saracenen gevangengenomen

In de nacht van 21 op 22 juli 972 wordt abt Mayeul tijdens zijn terugreis uit Italië gevangengenomen door Saracenen die vanuit hun vesting bij La Garde-Freinet in de Provence actief zijn. De ontvoering vindt plaats in de omgeving van Orsière, op de route naar de Col du Grand-Saint-Bernard. Voor zijn vrijlating wordt een uitzonderlijk hoog losgeld geëist.

Volgens de monnik en kroniekschrijver Raoul Glaber, die in de eerste helft van de 11e eeuw over de gebeurtenissen schrijft, zouden de monniken van Cluny hiervoor kostbare voorwerpen uit de abdijkerk hebben omgesmolten. Zo zou het benodigde bedrag van 10.000 pond zilver zijn bijeengebracht. Het verhaal kan niet onafhankelijk worden bevestigd, maar laat wel zien hoe groot de financiële en symbolische betekenis van Mayeul voor Cluny is.

Relikwieën trekken pelgrims naar Cluny

Het jaar 981 betekent niet alleen de inwijding van CLUNY II, maar ook een belangrijke versterking van het prestige van de abdij.

Volgens de overlevering worden op 14 februari van dat jaar relikwieën van de apostelen Petrus en Paulus in het nieuwe hoogaltaar bijgezet. De kostbare relieken zijn afkomstig uit de Romeinse basiliek San Paolo fuori le Mura. Wanneer Rome in de vroege 10e eeuw door geweld en onrust wordt getroffen, brengen gevluchte monniken de reliekhouder met de as van de apostelen naar hun geestelijke verwanten in Cluny.

De abdij komt daarmee in het bezit van een thesaurus inestimabilis, een ‘onschatbare schat’. De relikwieën vergroten het aanzien van Cluny en trekken pelgrims aan. Samen met schenkingen en inkomsten uit missen voor de zielenrust van overledenen groeien de rijkdom en invloed van de abdij verder.

Cluny profiteert van deze groeiende pelgrimage door Europa. Vooral de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela is belangrijk. Langs de verschillende routes naar Noord-Spanje beheert de abdij een netwerk van kleinere priorijen en heiligdommen. Deze huizen bieden pelgrims onderdak en geestelijke verzorging, maar leveren de abdij ook inkomsten op. Zo ontstaat een netwerk dat niet alleen religieuze, maar ook economische betekenis heeft.

Onder abt Odilo krijgt Cluny bovendien een belangrijke rol in de herdenking van de doden. In 998 voert hij de jaarlijkse herdenking van alle overledenen op 2 november in. Deze traditie verspreidt zich over Europa en wordt later bekend als Allerzielen.

De privileges van Cluny

Vrijstelling van alle belastingen

 Op 22 april 998 vaardigt paus Gregorius V een pauselijke bul uit waarin de vrijstelling van Cluny opnieuw wordt bevestigd. De abdij hoeft daardoor geen belastingen te betalen aan kerkelijke en wereldlijke autoriteiten, in ruil voor een symbolische jaarlijkse pacht aan Rome.

De bul is gericht aan abt Odilo en bevat een overzicht van 84 plaatsen en kloosters die onder Cluny vallen, verspreid van de Provence tot Bourgondië. Daaronder worden ook specifieke kloosters genoemd, zoals Charlieu en Sauxillanges.

Het muntrecht van de abdij

Ook op financieel gebied krijgt Cluny bijzondere rechten. In 930 verleent koning Raoul van Frankrijk aan de abten van Cluny het recht om munten te slaan. Paus Johannes XI bevestigt dit muntrecht in 931. De daadwerkelijke muntslag komt pas later op gang.

In de 12e eeuw verandert de economische situatie. De stad groeit en er wordt steeds meer met geld betaald, terwijl de inkomsten uit schenkingen teruglopen. De abdij krijgt daardoor met financiële problemen te maken. Op haar eigen land produceert zij dan nog maar ongeveer een kwart van wat nodig is om haar personeel te onderhouden. In deze periode wordt het bestaande muntrecht daadwerkelijk benut.

Tegen het einde van de 11e eeuw zijn de eerste Cluniacenzer munten bekend. Vanaf 1123 worden zilveren deniers en obolen geslagen. Dat gebeurt niet in Cluny zelf, maar in het versterkte château de Lourdon, ongeveer vijf kilometer ten noorden van de abdij.

De munten hebben een hoog zilvergehalte en zijn daardoor aantrekkelijk voor geldwisselaars. Toch blijven ze grotendeels binnen de bezittingen van de abdij in omloop.

Wanneer koning Lodewijk IX in 1239 een koninklijke munt in Mâcon laat vestigen, neemt de betekenis van de muntslag van Cluny af. In de loop van de 13e eeuw komt er een einde aan de eigen muntslag.

Cluny
abdijmuur Cluny

De abdij wordt een ommuurde wereld

Zoals veel abdijen in de Middeleeuwen krijgt ook Cluny een eigen ommuring. Deze beschermt het abdijcomplex en bakent het kloosterterrein af van de nederzetting die eromheen groeit. Vanaf de 11e eeuw maakt de eenvoudige omheining plaats voor een robuuste stenen muur. De abdijomwalling wordt ongeveer 1.350 meter lang en omsluit een terrein van circa 15 hectare. Er is nu een duidelijk onderscheid tussen de abdij en de stad ontstaan. De abdij ligt binnen haar eigen muren, terwijl de groeiende nederzetting aanvankelijk daarbuiten ligt. 

Pas tegen het einde van de 12e eeuw krijgt ook Cluny een afzonderlijke stadsmuur, met eigen torens, die de burgerlijke stad omsluit. Zo ontstaan twee verdedigingsringen: de binnenste rond de abdij en de buitenste rond de stad.

Van beide omwallingen zijn delen in het huidige Cluny nog herkenbaar. De Tour des Fromages maakt deel uit van de vroegere abdijomwalling en staat aan de rand van het oorspronkelijke abdijterrein. In de straten van het huidige Cluny zijn op verschillende plaatsen delen van het verloop van de stadsmuur nog herkenbaar.

De twee omwallingen hebben ieder een eigen functie: de binnenste beschermt het besloten abdijcomplex, de buitenste omsluit de groeiende middeleeuwse stad. Zo bestaat Cluny eeuwenlang uit twee duidelijk van elkaar gescheiden, maar nauw met elkaar verbonden werelden.

Cluny
placering noordelijke muur
Cluny
placering zuidelijke muur
Cluny
abdijmuur
Cluny
Tour de Fromage


De Ban sacré beschermt pelgrims en kooplieden

De macht van Cluny beperkt zich niet tot de muren van de abdij. Op 2 februari 1107 bevestigt paus Paschalis II de vrede van de ban sacré en breidt hij de bijbehorende privileges uit.

Binnen deze beschermde zone mogen geen kastelen worden gebouwd en is het heffen van tol verboden op de belangrijkste wegen binnen een straal van ongeveer veertig kilometer rond Cluny. De bescherming geldt voor iedereen die naar Cluny reist of de abdij weer verlaat.

De maatregel heeft onder meer te maken met een conflict tussen de abdij en de seigneur van Uxelles, die tol heft bij Aynard, een doorwaadbare plaats in de rivier de Guye. Abt Hugues de Semur beklaagt zich hierover bij paus Paschalis II. 

CLUNY III: de grootste kerk van middeleeuws Europa

De groei van de abdij leidt tot de bouw van een kerk die alle eerdere gebouwen in omvang moet overtreffen: CLUNY III. In 1088 vraagt abt Hugues de Semur aan de architect-monnik Gunzo om een ontwerp voor een nieuwe kerk te maken.

De bouw van de enorme kerk trekt de meest kundige handwerklieden uit de wijde omgeving aan. Metselaars, steenhouwers, schilders, timmerlieden en andere ambachtslieden zijn nodig voor de bouw en inrichting van het complex. Zij werken niet alleen voor de abdij, maar stellen hun vakmanschap ook ten dienste van de groeiende burgerij van Cluny.

De abdijkerk CLUNY III wordt iets ten noorden van de eerdere kerk CLUNY II gebouwd. De bouw duurt 42 jaar. Deze derde abdijkerk moet het ultieme huis van God op aarde worden en tegelijk de macht en de heiligheid van de Cluniacenzer orde uitdrukken.

De Spaanse koning Alphonso VI heeft nog een ereschuld aan de monniken van Cluny uitstaan en is bereid een deel van de financiering van de nieuwe abdijkerk op zich te nemen.

De enorme kerk is niet alleen ontworpen om indruk te maken. Ze is ook afgestemd op het dagelijkse ritme van de monniken, die hier dagelijks de zeven getijdengebeden zingen. De hoge gewelven versterken bovendien de klank van de gregoriaanse zang.

Op 25 oktober 1095 wijdt paus Urbanus II het hoogaltaar van de nieuwe abdijkerk in, evenals enkele andere altaren in het oostelijke deel. De bouw van de enorme kerk, die rond 1088 onder abt Hugues de Semur is begonnen, is dan nog in volle gang.

Onder abt Petrus Venerabilis krijgt de kerk rond 1130 haar definitieve vorm, hoewel de narthex pas in de 13e eeuw wordt voltooid. Op 25 oktober 1130 wordt de abdijkerk plechtig ingewijd door paus Innocentius II, in aanwezigheid van meer dan duizend monniken.

Bij een kapittel dat door abt Petrus Venerabilis op 20 maart 1132 wordt bijeengeroepen, trekt een processie van 1.212 abten en monniken door de nieuw voltooide gebouwen.

Cluny
kooromgang van CLUNY III volgens oude tekening
Cluny
oude tekening CLUNY III (bron: Gallica)

Gunzo en Hézelon: de bouwmeesters van CLUNY III

Volgens de overlevering krijgt de oude en bedlegerige Gunzo het idee voor de kerk na een bijzondere droom: 

Petrus, Paulus en Stefanus verschijnen aan hem en markeren met een koord de omtrek van de nieuwe abdijkerk. Petrus en Paulus zetten met het koord dat Stefanus om zijn arm draagt de afmetingen van de nieuwe kerk uit.
Ze vragen Gunzo Hugues ervan te overtuigen dat CLUNY II niet langer groot genoeg is voor de groeiende kloostergemeenschap.
De volgende ochtend staat Gunzo, tot ieders verbazing, op en gaat naar de kapittelzaal om de abt van de noodzaak van een nieuwe kerk te overtuigen.

Hézelon van Luik speelt een belangrijke rol bij de bouw van CLUNY III. Hij is afkomstig uit het gebied van het huidige Zwitserland en wordt kanunnik in Luik, waar hij een wetenschappelijke opleiding krijgt met een sterke nadruk op de wiskunde. Later wordt hij monnik in Cluny. Zijn technische kennis komt goed van pas bij de bouw van de enorme abdijkerk.

Voor de Middeleeuwen is het bijzonder dat zijn naam als bouwmeester bekend is. Abt Petrus Venerabilisnoemt Hézelon later in een brief aan de bisschop van Luik als een van de geleerden die vanuit Luik naar Cluny komen. Over Hézelon schrijft hij dat deze de bouw van de nieuwe kerk tot een goed einde heeft gebracht

Hugues de Semur
de monnik Gunzo op zijn bed, om hem hee Petrus, Paulus en Stefanus
Cluny
de monnik Gunzo naar abt Hugues de Semur met de boodschap van Petrus
Odo abbé Cluny
Inwijding van het hoogaltaar van CLUNY III door paus Urbanus II, in 1095. De afbeelding is een tekening uit een Latijns manuscript.

De bouw van een ongekende abdijkerk

Met haar uitzonderlijke afmetingen en indrukwekkende torens is CLUNY III op dat moment de grootste kerk van het middeleeuwse Westen. Die positie behoudt zij bijna vier eeuwen. In 1506 geeft paus Julius II in Rome opdracht tot de bouw van de nieuwe Sint-Pieter. De oude basiliek wordt afgebroken en maakt plaats voor een kerk die uiteindelijk groter wordt dan CLUNY III en verliest de abdijkerk haar positie als grootste kerk.

 

De Maior Ecclesia is 187 meter lang en heeft een hoofdschip van 38,50 meter breed  Het grote transept strekt zich over ongeveer 73 meter van noord naar zuid uit en vormt een enorme dwarsruimte in de kerk. 

Onder het gewelf bereikt de kerk een hoogte van 29,50 meter. Deze nieuwe abdij heeft 300 ramen. De plattegrond telt vijf beuken, twee transepten, een kooromgang en straalkapellen, de abdij heeft vier kerktorens, waarvan alleen de achthoekige Clocher de l’Eau Bénite bewaard is gebleven.

Om een idee te geven van de grootte van de abdijkerk: de Notre Dame in Parijs is 30% kleiner dan de abdijkerk CLUNY III was.

Cluny
De Maior ecclesia maakte deel uit van een dicht kloostercomplex van uitzonderlijke omvang. De meeste gebouwen dateren uit de Middeleeuwen en zijn later uitgebreid (foto: afbeelding in de abdij)
Cluny
plattegrond van CLUNY II en CLUNY III

Wil je de verdwenen abdijkerk zelf stap voor stap ontdekken, lees dan Ontdekkingstocht door CLUNY III,
waarin je langs de overgebleven resten en de ligging van de Maior Ecclesia wordt geleid.

Cluny als centrum van kunst en cultuur

Onder Hugues de Semur ontwikkelt Cluny zich niet alleen tot een belangrijk religieus machtscentrum, maar ook tot een toonaangevend centrum van kunst en cultuur. 

De abdij kent een rijke liturgische traditie, waarin muziek, boeken en beeldende kunst een belangrijke plaats innemen. De psalmen worden meerdere malen per dag gezongen en de gregoriaanse zang wordt steeds verder verfijnd. De liturgie krijgt onder Hugues een ongekende pracht. Voor hem is schoonheid een middel om de gelovigen dichter bij God te brengen. Juist deze rijkdom en uitgebreide liturgie worden later door de Cisterciënzers bekritiseerd, omdat zij kiezen voor een soberder kloosterleven.

In het scriptorium werken kopiisten en miniaturisten aan rijkversierde manuscripten. Veel van deze boeken gaan in de loop der eeuwen verloren, maar enkele belangrijke voorbeelden zijn bewaard gebleven. Een bijzonder manuscript bevindt zich tegenwoordig in de Bibliothèque nationale de France in Parijs. Het in Cluny vervaardigde manuscript BnF Latin 17716 dateert uit het begin van de 13e eeuw en bevat teksten van en over Pierre le Vénérable, geïllustreerd met kleurrijke miniaturen. Zo zijn onder meer Pierre le Vénérable en zijn monniken afgebeeld, evenals de bouw van CLUNY III en de wijding van het hoofdaltaar door paus Urbanus II.

Cluny
de overgebleven torens van de abdij
Cluny
we hebben geprobeerd tekening van de abdij CLUNY III over de stadsplattegrond van Cluny te leggen ©Christine van der Pol
Cluny
zuidelijke arm van het grote transept van CLUNY III (ID 204080530 @ Philippehalle | Dreamstime.com)


Hugues de Semur: Cluny op zijn hoogtepunt

Onder Hugues de Semur, bereikt Cluny een hoogtepunt van macht en uitstraling. Tijdens zijn lange abbatschap groeit de invloed van de abdij verder, wordt CLUNY III gebouwd en ontwikkelt Cluny zich tot een belangrijk centrum van religie, kunst en cultuur. Hugues is daarmee een van de bepalende figuren in de geschiedenis van de abdij.

Op paasmaandag 28 april 1109 overlijdt Hugues de Semur, in de Chapelle Sainte-Marie van de abdij. Hij maakt de wijding van het koor van CLUNY III in 1095 nog mee, maar zal de plechtige inwijding van de voltooide abdijkerk in 1130 niet meer meemaken.

Hugues wordt begraven in de Maior Ecclesia. Zijn overlijden veroorzaakt grote rouw binnen de Cluniacenzer gemeenschap. Een verslag uit die tijd beschrijft de uitzonderlijke rouw die zijn dood teweegbrengt en vermeldt dat veel religieuzen naar Cluny komen voor zijn begrafenis.

In de 13e eeuw worden zijn relieken over verschillende kerken verspreid, onder meer in Semur, Marcigny, Autun, Solesmes en Paray-le-Monial. Veel van zijn relikwieën worden in 1575 tijdens de Hugenotenoorlogen geplunderd of vernietigd.

Zijn opvolger Pons van Melgueil heeft grote moeite om in zijn voetsporen te treden. Met de dood van Hugues komt een belangrijke periode in de geschiedenis van Cluny ten einde. De abdij staat op het hoogtepunt van haar invloed, terwijl zich met Cîteaux, gesticht in 1098, tegelijkertijd een nieuwe monastieke beweging aandient die een soberder kloosterleven voorstaat.

Hoe Cluny zijn netwerk bestuurt

Over de regio: doyennés, de organisatie achter het netwerk

Het enorme netwerk van Cluny wordt op verschillende manieren georganiseerd. Daarbij ontstaan ook doyennés, ofwel decanaten, die een belangrijke rol spelen binnen het bestuur van de Cluniacenzer bezittingen. 

De belangrijkste functies zijn voedselvoorziening, strategische bescherming en verdediging, en het beheer en de systematische controle van de uitgestrekte bezittingen van de abdij.

Bezornay
decanaat Bezornay
Saint Hippolyte
decanaat Saint-Hippolyte


Europese verspreiding

De invloed van Cluny blijft niet beperkt tot Bourgondië. Vanaf de 10e eeuw ontstaat een snel groeiend netwerk van kloosters en priorijen dat zich over grote delen van Europa verspreidt. Sommige bestaande kloosters nemen de Cluniacenzer hervormingen over, andere worden rechtstreeks onder het gezag van de abt van Cluny geplaatst. Daardoor ontstaat een organisatie die voor die tijd uitzonderlijk groot en centraal bestuurd is.

Onder opeenvolgende abten breidt het netwerk zich steeds verder uit. Vanuit Cluny bereiken de hervormingen onder meer Frankrijk, Italië, Spanje, Duitsland, Zwitserland en Engeland. Kloosters en priorijen worden niet alleen plaatsen voor gebed, maar vormen samen een internationaal netwerk waarin dezelfde liturgie, leefregels en bestuurlijke structuur worden gevolgd.

De omvang van dit netwerk groeit in de 11e en het begin van de 12e eeuw explosief. Bij het overlijden van Hugues de Semur in 1109 omvat de Cluniacenzer organisatie meer dan 1.00 kloosters en afhankelijke huizen verspreid over Europa. Cluny behoort nu tot de belangrijkste religieuze organisaties van het middeleeuwse Europa. Hier vind je een interactieve kaart van de verspreiding van Cluny.

De abdij heeft bovendien invloed op de hervorming van andere kloosters. Abten, monniken en geleerden uit Cluny reizen door Europa en brengen hun ideeën en gebruiken mee. Zo verspreidt de Cluniacenzer hervorming zich ver buiten de muren van de abdij zelf.

Deze expansie maakt Cluny bijzonder machtig. De abt van Cluny staat niet alleen aan het hoofd van één klooster, maar van een groot netwerk van religieuze gemeenschappen. Daardoor kan Cluny invloed uitoefenen op kerkelijke en politieke ontwikkelingen in verschillende delen van Europa.

Cluny
Clocher de l'Eau Bénite en de Tour de l'Horloge

Van hervorming naar verval

Vanaf de 12e eeuw neemt de invloed van Cluny geleidelijk af. Nieuwe kloosterorden, zoals de Cisterciënzers, spreken steeds meer monniken aan met hun nadruk op eenvoud en soberheid. Tegelijkertijd ondermijnen politieke en economische problemen de machtspositie van de abdij.

Aan het einde van de Middeleeuwen volgt nog één laatste opleving. Abt Jean de Bourbon (1456–1480) herstelt de kloosterdiscipline door streng toe te zien op de naleving van de Regel van Benedictus, het gemeenschapsleven, de gehoorzaamheid en de persoonlijke armoede.

Zijn opvolger Jacques II d’Amboise (1481–1510) zet deze hervormingen voort. Beiden laten bovendien indrukwekkende abdijpaleizen bouwen die het aanzien en de status van Cluny opnieuw moeten onderstrepen. De hervormingen geven de abdij tijdelijk nieuw leven, maar kunnen de geleidelijke neergang niet keren.

Van gekozen abt naar abt van de koning

In de eerste eeuwen van Cluny kiezen de monniken zelf hun abt, zonder inmenging van buitenaf. De abt komt uit de eigen kloostergemeenschap en staat aan het hoofd van zowel het religieuze leven als het bestuur van de abdij.

Bernon, Odo, Mayeul en Odilon worden door hun voorgangers aangewezen. Vanaf Hugo van Semur (1049-1109) praktiseert de gemeenschap het stemrecht door compromis: de monniken benoemden een kleine groep vertegenwoordigers om namens hen te stemmen.

Vanaf het midden van de 15e eeuw verandert deze situatie ingrijpend. De Franse koning krijgt steeds meer invloed op de benoeming van belangrijke abten en het systeem van de commende ontstaat. De abt hoeft niet langer zelf als monnik in de abdij te leven. Hij ontvangt de inkomsten van de abdij en bekleedt een belangrijke bestuurlijke en kerkelijke positie, terwijl de dagelijkse leiding van het klooster bij de prior en de monniken blijft. Het abbatiaat komt steeds vaker terecht bij leden van machtige adellijke families en invloedrijke geestelijken uit de omgeving van het koninklijk hof.

Jean de Bourbon en Jacques d’Amboise: de overgang

Jean de Bourbon vormt een belangrijke overgang tussen de oude en de nieuwe situatie. Hij wordt in 1456 door de monniken van Cluny unaniem tot abt gekozen, nadat koning Karel VII hem bij de gemeenschap heeft aanbevolen. Zijn abbataat van 1456 tot 1485 behoort tot een belangrijke periode van vernieuwing. Hij hervormt het kloosterleven en laat nieuwe gebouwen bouwen, waaronder zijn eigen abdijpaleis en kapel in de kerk.

In 1485 treedt Jean de Bourbon af ten gunste van Jacques d’Amboise. Ook hij zet de hervormingen voort en laat een nieuw abdijpaleis bouwen. Met deze twee abten wordt zichtbaar hoe de benoeming van de abt steeds sterker verbonden raakt met de Franse politieke macht.

De commendataire abten

Van 1456 tot 1790 wordt Cluny geleid door commendataire abten. In deze periode volgen 21 abten elkaar op. De meesten zijn afkomstig uit machtige families of behoren tot de kringen rond het koninklijk hof. Onder hen bevinden zich Claude de Guise, Emmanuel-Théodose de La Tour d’Auvergne, Richelieu en Mazarin.

Met deze ontwikkeling raakt de oorspronkelijke onafhankelijkheid van Cluny steeds verder op de achtergrond. Het abbatiaat is niet langer uitsluitend een religieuze functie, maar wordt ook een positie met aanzienlijke politieke en financiële betekenis. De abt ontvangt de inkomsten van de abdij, terwijl hij niet noodzakelijk in Cluny woont. De dagelijkse leiding van het klooster blijft bij de prior en de monniken.

In de 16e eeuw krijgt de abdij daarnaast te maken met aanvallen en plunderingen. In dezelfde periode worden delen van het middeleeuwse kloostercomplex afgebroken en vervangen door nieuwe gebouwen in de klassieke stijl. De abdij blijft rijk en invloedrijk, maar het karakter van het klooster verandert ingrijpend.

Het systeem van de commendataire abten blijft bestaan tot de Franse Revolutie. In 1790 worden de religieuze orden opgeheven en komt een einde aan de eeuwenlange reeks abten van Cluny.

Een goed voorbeeld van die veranderde positie is het Hôtel de Cluny in Parijs. Dit bijzondere stadspaleis is bestemd als verblijf van de abten van Cluny wanneer zij in Parijs zijn. Het ligt in het Quartier latin, naast de overblijfselen van de Romeinse thermen van Lutetia. 

De huidige laatgotische vorm van het paleis ontstaat aan het einde van de 15e eeuw, waarbij Jean de Bourbon het initiatief neemt en Jacques d’Amboise het gebouw verder laat uitvoeren. Het Hôtel de Cluny onderstreept hoezeer de abdij inmiddels verbonden is met de politieke en bestuurlijke wereld van Parijs.

Gezicht op het Hôtel de Cluny door Eugène Viollet le Duc rond 1856
oude glasplaat uit 1829: Hôtel de Cluny in Parijs


De Hugenotenoorlogen verzwakken Cluny

In de 16e eeuw krijgt Cluny opnieuw zwaar te verduren. Tijdens de Hugenotenoorlogen wordt de abdijstad meerdere malen getroffen door geweld.

In 1567 zijn opnieuw protestantse troepen in de streek actief. In november van dat jaar trekt de bevelhebber Poncenac met enkele duizenden hugenoten vanuit de omgeving van Paray-le-Monial richting Cluny.

De inwoners vrezen een nieuwe plundering en besluiten de stad vrij te kopen. Zij betalen een losprijs van 6.000 livres, niet alleen in geld, maar ook in zilverwerk, stoffen, voedsel en andere goederen. Een bewaard gebleven kwitantie vermeldt dat zes inwoners van Cluny de betaling namens de stad overhandigen.

Na het vertrek uit Cluny trekt het protestantse leger verder naar Saint-Gengoux-le-Royal. Daar wordt een nog hogere belasting opgelegd. Volgens de overlevering wordt er gezegd: « la petite cité avait payé pour Cluny ».

Na deze woelige periode weet de abdij zich gedeeltelijk te herstellen, maar haar vroegere macht keert niet terug. Ook de benoeming van invloedrijke abten als de kardinalen Richelieu en Mazarin brengt daarin geen wezenlijke verandering. Zij beschikken over aanzien en politieke invloed, maar de eeuwen waarin Cluny een van de machtigste abdijen van Europa is en een groot netwerk van kloosters bestuurt, zijn voorbij.

Cluny
kloostergang abdij Cluny
Cluny
kloostergang abdij Cluny (ID 67239801 @ Philippehalle | Dreamstime.com)


Een nieuwe uitstraling voor de abdij

Kort na zijn benoeming tot abt van Cluny in 1629 laat kardinaal Richelieu midden in de gevel van het Palais du Pape Gélase een monumentale toegangspoort in Louis XIII-stijl aanbrengen: de Porte de Richelieu.

Met deze nieuwe ingang wil hij het abdijcomplex verfraaien en moderniseren, maar ook zijn eigen gezag als kardinaal-abt zichtbaar onderstrepen.

De geschiedenis van de poort krijgt later een opmerkelijke wending. In 1873 wordt zij tijdens een restauratie ontmanteld, omdat architect Charles Laisné de oorspronkelijke gotische gevel van het paleis wil reconstrueren. De losse onderdelen verdwijnen uit het zicht en worden pas in de jaren zestig teruggevonden in een kelder van de abdij.

Aan het begin van de 21e eeuw wordt de Porte de Richelieu na een restauratie van zes maanden opnieuw opgebouwd op de binnenplaats van de abdij. Een deel van het fries ontbreekt dan nog. Dat wordt in 2010 bij toeval teruggevonden en in 2011 op zijn oorspronkelijke plaats teruggezet.

porte de Richelieu

Een nieuwe abdij voor een nieuwe tijd

Net als veel andere abdijen in Frankrijk besluit men in de 18e eeuw de verouderde middeleeuwse kloostergebouwen grotendeels af te breken en te vervangen door een ruim opgezet complex in de toen moderne classicistische stijl. Het nieuwe klooster wordt vrijwel op dezelfde plaats gebouwd als het romaanse klooster. Dat oudere klooster strekt zich in de 12e eeuw uit over een terrein dat ongeveer overeenkomt met de omvang van het schip van CLUNY II. Na de bouw van CLUNY III wordt het afgebroken.

Rond 1727 begint de abdij aan een grootschalige vernieuwing onder leiding van architect Jean-François Blondel. Deze eerste bouwcampagne wordt na enkele jaren onderbroken, waarschijnlijk vanwege financiële problemen. Alleen de sacristie wordt voltooid.

In 1746 begint een tweede bouwcampagne onder leiding van prior Dom Marc-Antoine Dathose. Het grootste deel van het oostelijke gedeelte van het abdijcomplex wordt opnieuw opgebouwd. De nieuwe gebouwen krijgen de ruime, regelmatige opzet en de classicistische vormgeving die het kloostercomplex nog altijd kenmerken. Wanneer Dathose in 1765 overlijdt, is het belangrijkste werk voltooid.

Ook voor het westelijke deel van het abdijterrein bestaan uitbreidingsplannen. Émiland Gauthey, architect uit Chalon-sur-Saône, maakt in 1771 een ontwerp, maar de monniken kiezen uiteindelijk voor een plan van de Parijse architect Pierre-Louis Hélin uit 1774. Ze treffen voorbereidingen voor de uitvoering, maar de Franse Revolutie maakt een einde aan het project. Van de geplande uitbreiding komt vrijwel niets terecht.

Bij deze vernieuwing verdwijnen grote delen van het middeleeuwse kloostercomplex. De monniken maken bewust plaats voor een modernere architectuur. Enkele decennia later wordt ook de abdijkerk grotendeels ontmanteld, maar dan als gevolg van de Franse Revolutie.

Cluny
plattegrond abdij 1790
oude glasplaat CLUNY III


Een klooster in classicistische stijl

Het nieuwe kloostercomplex is opgebouwd rond een centrale tuin en bestaat uit vier vleugels met brede galerijen. De regelmatige indeling geeft het geheel een overzichtelijk karakter. 

In iedere gevel bevinden zich elf rondbogen die toegang geven tot galerijen met graatgewelven: stenen gewelven die ontstaan waar twee tongewelven elkaar kruisen. Boven deze galerijen ligt een verdieping met eenvoudige, rechthoekige vensters boven de arcades. De galerijen geven toegang tot de kloostercellen. In het midden van het complex bevindt zich een ruime centrale vestibule, die via drie openslaande deuren uitkomt op het park.

De architectuur is sober en functioneel, maar tegelijk monumentaal. De vormgeving sluit aan bij die van de burgerlijke gebouwen uit dezelfde periode. Regelmatige raamomlijstingen en krachtige kroonlijsten benadrukken de verschillende verdiepingen. De bovenbouw wordt afgesloten door een groot hoofdgestel met lijstwerk en een dak met platte dakpannen.

Opvallend zijn de decoratieve ankers aan de gevels. Deze zijn vormgegeven als uitspringende, gebeeldhouwde motieven in rocaille-stijl. Oorspronkelijk komt dezelfde decoratie ook voor rond de gebogen bovendorpels van de vensters. Het middelste paviljoen wordt bekroond door een driehoekig fronton. De beeldhouwkunst daarin is later grotendeels verwoest. Oorspronkelijk toont het fronton het blazoen van de abdij, gevat in een lijst in rocaille-stijl.

Ook de tuin krijgt een verzorgde aanleg. Op de plaats van de huidige bloemperken stonden rijen buxus en appelbomen. De galerijen en de centrale tuin vormen het dagelijkse decor van het kloosterleven: een plek voor meditatie en gebed, maar ook voor het gemeenschappelijke leven van de monniken.

Frère Placide: de siersmid van de abdij

Bijzonder zijn de beschilderde en vergulde smeedijzeren balustrades. Ze geven het complex een rijk accent en zijn het werk van Jean Julien, een talentvolle siersmid die als monnik de naam frère Placide draagt. Ook de monumentale trapleuningen, balkonbalustrades en verschillende andere ijzeren sierwerken worden aan hem toegeschreven. Hier lees je het hele verhaal van frère Placide.

frere Placide
balustrade in de abdij, gemaakt door frère Placide
frere Placide
smeedsierwerk in de abdij, gemaakt door frère Placide

 

Hoewel het nieuwe complex modern oogt, blijft de traditionele indeling van het klooster herkenbaar: de galerijen vormen de verbinding tussen de verschillende vertrekken en geven toegang tot de abdijkerk. 

Tegelijkertijd betekent deze vernieuwing dat een groot deel van het middeleeuwse kloostercomplex voorgoed verdwijnt. De monniken kunnen maar enkele decennia van hun nieuwe onderkomen genieten. Enkele decennia later maakt de Franse Revolutie een einde aan bijna negen eeuwen monastieke geschiedenis. 

Einde van het kloosterleven

Met de opheffing van de religieuze orden in 1790 verliest Cluny zijn monnikengemeenschap en wordt het omvangrijke bezit van de abdij nationaal eigendom. Op 25 oktober 1791 is in de abdijkerk de laatste mis opgedragen. Kort daarna verlaten de laatste monniken het klooster.

Daarmee eindigt een geschiedenis die in 910 begon met de stichting van de abdij door hertog Willem I van Aquitanië. Wat daarna met de gebouwen en bezittingen van de abdij gebeurt, vormt een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Cluny. De abdij wordt ontmanteld, verkocht en gedeeltelijk gesloopt. Uit het middeleeuwse complex blijft uiteindelijk slechts een klein deel bewaard.

Lees hier verder met Cluny: ondergang van een abdij.

Cluny
alleen de donker gekleurde delen van deze maquette zijn nog over van Cluny III

Wil je de verdwenen abdijkerk zelf stap voor stap ontdekken, lees dan Ontdekkingstocht door CLUNY III,
waarin je langs de overgebleven resten en de ligging van de Maior Ecclesia wordt geleid.

meer lezen over de abdij van Cluny op zuidbourgogne.nl:

meer lezen over Cluny op zuidbourgogne.nl:

meest recente blogs op zuidbourgogne.nl

bronnen

Testamentum Willelmi; de stichtingsoorkonde
Cartulaire A de Cluny
Cartulaire B de Cluny
Cartulaire C de Cluny
Vita Maioli
Vita Odilonis
Vita Hugonis
Consuetudines Cluniacenses
Brieven en werken van Petrus Venerabilis
La reconstruction de lábbaye de cluny au XVIIIe siecle; Centre d’Etudes clunisiennes
Sites clunisiens en Europe; Christophe Vorop
Romaanse kunst; Rolf Toman
Herbouwd Verleden; Tellinger en Engelbregt
De abdij van Cluny; Centre des Monuments Nationaux

https://bourgognemedievale.com
https://www.cluny-abbaye.fr/
www.persee.fr
www.brionnais.fr

huis in bourgogne

Huis huren?

Geïnteresseerd in een vakantiehuis in deze omgeving?