Anne-Marie Javouhey komt oorspronkelijk uit het noordoosten van de Bourgogne.
Later is zij in Cluny gaan wonen om ruimte te geven aan haar klooster-idealen.
Nadat andere kloosters haar niet bevielen,
richt Anne-Marie in 1807 de congregatie soeurs de Saint-Joseph op die haar moederhuis in Cluny krijgt.
Als voorvechter van de bevrijding van de slaven in de Franse koloniën reist Anne-Marie naar Afrika en Latijns-Amerika.
Onder de tekst van de profeet Jesaja “om de onrechtvaardige ketenen te doorbreken en onderdrukten vrijheid te geven”,
wil zij de Franse regering laten zien dat “de mannen en vrouwen die tot slavernij zijn teruggebracht,
in staat zijn om harmonieus te re-integreren in de samenleving.”
Anne-Marie Javouhey is bijna een kwart eeuw adviseur van de Franse regering voor onderwijs in de koloniën
en de emancipatie van de slaven.
De stad Mana in Frans-Guyana noemt Anne-Marie Javouhey de ‘moeder van de stad’.
"J’en ferais volontiers un général de division"
"Ik zou haar graag divisiegeneraal maken."Napoleon Bonaparte
Jallanges 1779 – 1851 Parijs
Geen boerderij en geen huwelijk voor Anne-Marie
Haar ouders, Balthazar en Claudine Javouhey, krijgen tien kinderen, waarvan Anne-Marie, roepnaam Nanette, de vijfde en oudste dochter is. Zij wordt geboren op 10 november 1779 in Jallanges, nabij Seurre in de Côte-d’Or. Nanette is een opvallend meisje met een goed ontwikkelde intelligentie, er worden hoge verwachtingen aan haar toegeschreven.
Balthazar en Claudine Javouhey zijn diep-gelovige boeren met een goede welstand. Anne-Marie zal zich in de loop der jaren gaan onderscheiden van haar broers en zussen door een sterke persoonlijkheid waarmee ze veel menselijk gedrag gaat begrijpen en op inspelen.
Het zijn jaren van politieke, sociale en religieuze onrust. Als Anne-Marie tien jaar is, breekt de Franse Revolutie uit (1789-1799), een antwoord op eeuwen van onrecht en onderdrukking van de lagere sociale klassen. Er heerste veel armoede en hongersnood.
Anne-Marie wordt al snel geconfronteerd met de vervolgingen van de Revolutie.
Geloof onder vervolging
Al op jonge leeftijd ervaart Anne-Marie dat het belijden van het katholieke geloof tijdens de Franse Revolutie gevaarlijk kan zijn. Samen met haar ouders geeft zij catechismuslessen aan kinderen uit de parochie en helpt zij priesters die weigeren de verplichte eed van trouw aan de staat af te leggen. Omdat deze geestelijken door de revolutionaire autoriteiten worden vervolgd, biedt haar familie hun een schuilplaats en helpt Anne-Marie hen soms ’s nachts veilig te ontsnappen.
Wanneer in de familiekapel in het geheim een mis wordt gevierd, houdt zij buiten de wacht en let zij erop of er geen patrouilles of autoriteiten naderen. Volgens de overlevering redt zij bovendien een monstrans (de houder waarin de geconsacreerde hostie wordt getoond) uit het brandende kasteel van het nabijgelegen Chamblanc.
Haar vader wil haar uithuwelijken en een van zijn boerderijen laten overnemen. Dit is echter niet zoals Anne-Marie haar leven wil invullen. Zij voelt zich geroepen tot het kloosterleven en weet de haar toegewezen huwelijkspartner te overtuigen om in te treden bij de Trappisten.
een verborgen gelofte
Wanneer Anne-Marie negentien jaar is, voelt zij zich definitief geroepen tot het religieuze leven en verlangt zij ernaar in een klooster in te treden. Frankrijk verkeert echter nog altijd in de onrust van de Franse Revolutie. Kerken en kloosters zijn door de revolutionaire regering gesloten, waardoor haar wens voorlopig onmogelijk lijkt.
In de nacht van 11 november 1798 legt Anne-Marie daarom in het geheim een persoonlijke gelofte af in de kleine kapel in de tuin van haar ouderlijk huis. In aanwezigheid van een priester, haar familie en enkele vertrouwelingen wijdt zij haar leven aan God. Daarna rest haar slechts één ding: geduldig wachten op betere tijden waarin zij haar roeping daadwerkelijk kan volgen.
Tijdens die jaren van wachten tekenen zich de twee grote drijfveren af die haar verdere leven zullen bepalen: de opvoeding van kinderen en jongeren en de zorg voor zieken en kwetsbaren. Juist in een door de revolutie ontwrichte Kerk en een door armoede geteisterde Franse samenleving ziet Anne-Marie hierin haar levensopdracht.
Visioen
Anne-Marie krijgt Besançon een visioen en ziet Teresa van Avila verschijnen. Deze Teresa was een Spaanse edelvrouw die karmelietes werd en bekend geworden is als theoloog, mysticus en religieus hervormer. In dit visioen vertrouwt Teresa vertrouwt Anne-Marie “kinderen van verschillende rassen” toe. Voor Anne-Marie is de betekenis van dit visioen niet direct duidelijk.
Op zoek naar haar bestemming
In 1800 krijgt Anne-Marie de kans om haar roeping te volgen en treedt zij in bij Les Sœurs de la Charité in Besançon, een apostolische congregatie binnen de katholieke Kerk. Al snel merkt zij echter dat zij zich in deze gemeenschap niet thuis voelt. Na enige tijd verlaat zij het klooster en keert terug naar haar geboortestreek.
Daar probeert zij haar andere grote ideaal te verwezenlijken: onderwijs bieden aan arme kinderen die geen toegang hebben tot school. In de omgeving van Chamblanc richt zij een school op, maar door een gebrek aan financiële middelen blijkt het initiatief niet levensvatbaar en moet zij haar plannen opgeven.
Toch blijft haar verlangen naar het religieuze leven bestaan. Ze vertrekt opnieuw, ditmaal naar het trappistenklooster La Valsainte in Zwitserland, waar zij haar noviciaat voltooit. Ook daar vindt zij echter niet de geestelijke thuis waarnaar zij zocht. Uiteindelijk keert Anne-Marie terug naar haar ouderlijk huis.
Hoewel haar pogingen om een religieuze gemeenschap te vinden en een school op te richten op teleurstellingen uitlopen, laat zij haar droom niet los. De overtuiging dat zij ooit onderwijs zal geven aan arme kinderen en tegelijkertijd een religieuze gemeenschap zal stichten, blijft haar leven richting geven.
Het verlangen blijft
Anne-Marie Javouhey blijft verlangen naar een religieus leven en steeds meer vormt zich het plan zelf een nieuwe apostolische congregatie op te richten. Ze wordt hierin bevestigd door paus Pius VII. De paus is in Parijs geweest om bij de kroning van Napoleon tot keizer aanwezig te zijn en brengt de paasdagen door in Chalon-sur-Saône. Het is het jaar 1805. Anne-Marie gaat naar de mis in de Saint-Pierre, waar Pius VII de communie uitreikt. Wanneer Anne-Marie en haar drie zussen aan de paus worden voorgesteld, moedigt hij haar aan dit ideaal verder uit te werken. De paus zegent haar en zegt: “God zal door jou grote dingen doen voor Zijn glorie.
Anne-Marie gaat vervolgens naar bisschop Imberties van Autun, die haar vraagt een leefregel voor de nieuw te vormen orde te schrijven.
De pastoor van Saint-Pierre in Chalon-sur-Saône helpt haar zoveel hij kan. De zusters wonen eerst aan de Place Saint-Pierre; ze maken zich aan de bevolking van de stad echter nog niet als religieuzen bekend. Daarvoor is de vrede nog te kwetsbaar.
Een langgekoesterde droom wordt werkelijkheid
Dankzij het herstel van de godsdienstvrijheid onder Napoleon Bonaparte ontstaat er opnieuw ruimte voor religieuze gemeenschappen. In 1806 verleent hij zijn goedkeuring aan de oprichting van les Sœurs de Saint-Joseph. Al snel melden zich jonge vrouwen die hun leven aan God en aan de zorg voor hun medemens willen wijden.
Op 12 mei 1807 leggen negen jonge vrouwen in de kerk Saint-Pierre in Chalon-sur-Saône hun religieuze geloften af ten overstaan van de bisschop van Autun. Daarmee is de nieuwe congregatie officieel een feit. De zusters zijn herkenbaar aan hun blauwe habijt, met een grote witte kap die over de schouders valt en een breed wit voorstuk.
Tot de eerste leden behoren drie zussen van Anne-Marie. De jonge congregatie krijgt het voormalige grootseminarie van Autun ter beschikking, waar het noviciaat wordt gevestigd en nieuwe zusters worden opgeleid.
Voor Anne-Marie betekent dit de vervulling van een droom die zij jarenlang, ondanks alle tegenslagen, had gekoesterd: eindelijk kan zij haar religieuze roeping verbinden met haar verlangen om kinderen op te voeden en de meest kwetsbaren te helpen.
"Conservez la paix qui est le bien le plus précieux que nous puissions posséder en ce monde..."
"Bewaar de vrede, dat is het kostbaarste goed dat we in deze wereld kunnen hebben..."Anne-Marie Javouhey
de bescherming van Saint-Joseph
Tijdens de eerste mis die voor de jonge gemeenschap wordt opgedragen, vraagt de celebrerende priester aan Anne-Marie waarom zij haar congregatie niet aan Sint-Jozef toevertrouwt. Hij herinnert haar eraan dat de heilige Teresa van Ávila al haar kloosters onder de bescherming van Sint-Jozef had geplaatst.
Die woorden raken Anne-Marie diep. Zij denkt terug aan de bijzondere ervaring die zij eerder had, waarin Teresa van Ávila aan haar was verschenen en haar richting had gegeven. Voor Anne-Marie is dit het bevestigende teken waarop zij had gewacht. Vanaf dat moment kiest zij Saint-Joseph als patroonheilige en naamgever van de nieuwe congregatie. Zijn feestdag, op 19 maart, krijgt binnen de gemeenschap een bijzondere betekenis
Spaanse burgeroorlog
In deze tijd heerst de Spaanse Burgeroorlog die grote getale slachtoffers eist. Veel gewonden komen naar Frankrijk en worden onder andere hier in Autun door Anne-Marie en haar zusters opgevangen en verzorgd. Zo wordt de ziekenzorg een van hun eerste taken.
Naar Cluny
Na vijf jaar groeit de jonge congregatie zo snel dat het onderkomen in Autun te klein wordt. Bovendien verkeren de gebouwen in slechte staat, waardoor Anne-Marie zich diep in de schulden moet steken om de noodzakelijke restauraties te bekostigen.
Haar vader, Balthazar Javouhey, schiet te hulp. Hij neemt de schulden van zijn dochter over en koopt op 29 mei 1812 van monsieur Roberjot het voormalige klooster van de Récollets in Cluny. Van het machtige middeleeuwse Cluny, ooit het machtigste klooster van West-Europa, is dan weinig meer over. De stad is teruggevallen tot een bescheiden provinciestadje. Juist daar vestigt Anne-Marie op 24 juni 1812 de Congrégation des Sœurs de Saint-Joseph de Cluny. Het klooster in Cluny zal tot 1849 het moederhuis van de congregatie blijven.
Nu kan Anne-Marie eindelijk haar twee grote idealen met elkaar verbinden. Samen met haar zusters opent zij een school en een weeshuis voor kinderen uit arme gezinnen. Om de kinderen te bereiken die het onderwijs het hardst nodig hebben, trekken de zusters de straten van Cluny in. Zij zoeken kinderen van wie de ouders geen school kunnen betalen en nodigen hen persoonlijk uit om onderwijs te volgen. Het initiatief blijkt een groot succes en de school groeit gestaag.
Anne-Marie ontwikkelt een onderwijsvisie die haar tijd ver vooruit is. Zij gelooft dat opvoeding niet gebaseerd moet zijn op dwang, maar op vertrouwen en overtuiging. Haar uitgangspunt vat zij samen in de woorden: ‘Wij dwingen vrije mensen niet, wij overtuigen hen.’
Naast onderwijs zetten de zusters zich ook in voor de opvang van wezen, de verzorging van zieken, de ondersteuning van oorlogsweduwen en de zorg voor gevangenen. Anne-Marie ontpopt zich daarbij niet alleen als een begaafd bestuurder, maar ook als een uitzonderlijk bekwame onderwijzeres.
De eerste missie: Île Bourbon
De Franse regering moedigt de jonge congregatie aan om ook in de koloniën huizen te stichten. Al snel dient zich een bijzondere kans aan. De gouverneur van Île Bourbon, een eiland in de Indische Oceaan dat sinds 1848 Réunion heet, reist naar Frankrijk op zoek naar onderwijzers voor de kinderen op het eiland. Hij vraagt Anne-Marie of haar zusters er een school willen beginnen.
Voor Anne-Marie voelt dit verzoek als een teken van God én als een unieke kans om haar ideaal van onderwijs en dienstbaarheid buiten Frankrijk gestalte te geven. Op 10 januari 1817 zendt zij maar liefst een derde van haar zusters naar Île Bourbon. Zelf begeleidt zij hen tot aan de haven van Rochefort, waar het schip vertrekt. Haar plaats is voorlopig nog in Frankrijk, waar de jonge congregatie haar leiding hard nodig heeft. Toch reist zij in gedachten met haar zusters mee. Pas na een zeereis van bijna zes maanden bereiken zij het verre, voor hen onbekende eiland. Wat een reis moet het zijn geweest!
Op Île Bourbon leggen de zusters de basis voor het eerste missiewerk van de congregatie. Hun inzet blijkt al snel een groot succes. Binnen korte tijd openen zij vijf scholen en vragen ze hun moeder-overste om meer zusters te sturen. Daarmee begint de snelle internationale uitbreiding van de congregatie.
Het succes wordt echter overschaduwd door een ernstig conflict. Na het overlijden van de plaatselijke overste heeft deze zuster Thais als haar opvolgster aangewezen. Anne-Marie is het daar niet mee eens en stuurt zuster Bathilde als nieuwe overste naar het eiland. Een deel van de gemeenschap weigert die beslissing te aanvaarden. Met de steun van de gouverneur houdt zuster Thais vast aan haar positie, waardoor Bathilde onverrichter zake naar Frankrijk terugkeert.
Anne-Marie doet nog een poging om de rust te herstellen en stuurt haar zus Rosalie, die op dat moment in Senegal werkzaam is, naar Île Bourbon. Ook zij stuit op verzet. Wanneer de verdeeldheid verder escaleert, vraagt Anne-Marie de aartsbisschoppen van Parijs en Autun om te bemiddelen. Uiteindelijk krijgt het Franse ministère de la Marine opdracht de opstandige zusters naar Frankrijk terug te brengen.
Deze pijnlijke gebeurtenis gaat de geschiedenis in als le schisme de Bourbon. Het is een donkere bladzijde in de geschiedenis van de congregatie, maar vormt slechts een tijdelijke onderbreking van de indrukwekkende missionaire groei die daarna zou volgen.
"Madame Javouhey, quel grand homme !"
Louis-Philippe, Roi de la France
Senegal: een nieuw werkterrein
Begin 1822 stapt Anne-Marie Javouhey zelf aan boord van een schip, ditmaal met bestemming Senegal, dat dan nog een Franse kolonie is. Tijdens de zeswekenlange overtocht ontmoet zij baron Jacques-François Roger, de nieuwe gouverneur van Senegal. Tussen beiden ontstaat een hechte vriendschap. Roger heeft de taak de kolonie economisch en maatschappelijk nieuw leven in te blazen, terwijl Anne-Marie haar eigen missie ziet: onderwijs, gezondheidszorg en de zorg voor de meest kwetsbaren. Na een zeereis van zes weken arriveert zij op 19 maart 1822 in Saint-Louis.
Al direct bij haar aankomst wordt Anne-Marie geconfronteerd met de werkelijkheid van de slavernij. De echtgenote van de vertrekkende gouverneur laat haar een jong slavinnetje, Florence, achter. Door haar leert Anne-Marie de harde gevolgen van het slavensysteem van dichtbij kennen. Zij sticht missieposten in Saint-Louis en op het eiland Gorée, verbetert de ziekenzorg en legt de basis voor scholen en landbouwprojecten.
Op een boerderij introduceert zij een vernieuwend irrigatiesysteem met brak water, waardoor onvruchtbare grond vruchtbaar wordt. Ze heeft veel respect voor de religieuze discipline van de marabouts, islamitische geestelijke leiders die in West-Afrika groot gezag genieten. Wanneer Anne-Marie zelf ernstig ziek wordt tijdens een epidemie, is het Florence die haar met geneeskrachtige inheemse planten verzorgt en haar leven weet te redden.
Een hart voor Afrika
De naam van Anne-Marie Javouhey raakt al snel ook buiten de Franse koloniën bekend. De Britse gouverneur van Gambia, luitenant-kolonel MacCarthy, vraagt haar met drang de leiding te nemen over het Saint Mary’s Hospital. Op verzoek van de Britse regering vertrekt zij naar Gambia. Ze komt hier terecht op een plaats waar zo’n 400 slaven uit Moorse schepen worden gehaald. Ze gaat zich inzetten voor de verzorging van zieken én voor de opvang van mensen die uit slavenschepen zijn bevrijd.
Anne-Marie raakt onder de indruk van de religieuze discipline van de twaalf Marabouts die haar ten dienste staan.
Vanuit Senegal reist zij op verzoek van de gouverneur naar Sierra Leone. Opnieuw staan de zorg voor zieken en gewonden centraal, totdat een uitbraak van gele koorts ook haar treft. Hoewel zij herstelt, is zij zo verzwakt dat zij naar Frankrijk moet terugkeren. Daar draagt zij de verantwoordelijkheid voor de missie op Île Bourbon over aan haar zus Rosalie, onder wier leiding het werk zich verder uitbreidt.
Afrika blijft echter haar grote liefde. Anne-Marie strijdt voor menswaardige leefomstandigheden, voor beter onderwijs en voor een sterkere positie van vrouwen. Zij is ervan overtuigd dat de kerk in Afrika uiteindelijk door Afrikanen zelf gedragen moet worden. Daarom zet zij zich met grote vastberadenheid in voor de opleiding van een inheemse geestelijkheid. Haar inspanningen worden in 1840 bekroond, wanneer de eerste drie Senegalese priesters worden gewijd, een mijlpaal die haar vooruitziende blik bevestigt.
Klik hier voor een foto van les soeurs de Saint-Joseph in Afrika (Guinee).
Soers de Saint-Joseph vertellen...
"L'amour seul est la clé de toutes choses, le carrefour de toutes les réalités."
Anne-Marie Javouhey
"L'amour seul donne la liberté, car il nous libère du mal et du désespoir. L'amour, c'est la vie."
Anne-Marie Javouhey
India
De zusters van Saint-Joseph van Cluny arriveren in 1827 in Puducherry, aan de zuidoostkust van India. Zij vestigen hier hun eerste missiehuis van India. In de loop der tijden zijn de zusters onder andere ook in New Delhi, Tamil Nadu, West-Bengalen, Goa, Kerala, Andhra Pradesh en Bihar neergestreken. Klik hier voor een foto van les soeurs de Saint-Joseph in India (Chandernagor).
Zo breidt de orde zich uit over de hele wereld. Na India ook in Frans West-Indië, later in Brits West-Indië, Tahiti en Madagaskar en later de Filippijnen.
Een gewaagd experiment in Frans-Guyana
In 1828 vertrekt Anne-Marie Javouhey opnieuw naar een ander werelddeel. Ditmaal is haar bestemming Frans-Guyana, het buurland van Suriname. Zij reist niet alleen. Samen met 36 zusters begeleidt zij vijftig Franse emigranten die in de kolonie een nieuw bestaan hopen op te bouwen. Op 16 augustus 1828 komt het gezelschap aan in Cayenne. Kort daarna volgen nog eens 34 boeren en boerinnen en elf wezen. Ook worden 25 zwarte slaven, die eerder in dienst van de Franse kroon waren, (uit de ateliers van de koning) aan de congregatie toevertrouwd.
Frans-Guyana is een arm en moeilijk toegankelijk gebied. Het tropische klimaat, de hitte, de vochtigheid, ziekten en de aanwezigheid van giftige insecten en slangen maken het leven er zwaar. Toch ziet Anne-Marie juist hier een kans om haar idealen in praktijk te brengen. Zij wil een gemeenschap opbouwen waarin Franse kolonisten en de plaatselijke bevolking, vooral inheemse Indianen, kunnen samenwerken en een zelfstandig bestaan opbouwen.
bevrijding van slaven
Daarnaast zet zij zich met grote overtuiging in voor de voorbereiding van slaven op een leven in vrijheid.
Onder haar leiding krijgen ongeveer zeshonderd Guyanese slaven onderwijs, vakopleiding en begeleiding, zodat zij na hun vrijlating een zelfstandig bestaan kunnen opbouwen. Daarmee loopt Anne-Marie haar tijd ver vooruit en groeit zij uit tot een van de opmerkelijkste sociale hervormers van de negentiende eeuw.
"Tout ceci est pour nos chers Africains qui naîtront à la liberté du sein de l'esclavage."
Anne-Marie Javouhay in een brief aan haar zus Rosalie, overste van de Congregatie op Bourbon Island, 28 mei 1828
video Anne-Marie naar Frans-Guyana
Mana: een gemeenschap van vrijheid en hoop
In Frans-Guyana sticht Anne-Marie een gemeenschap in het dorp Mana, die de naam La Nouvelle-Angoulême krijgt. Gastvrijheid vormt er het uitgangspunt. Weggelopen slaven, leprapatiënten en andere verstoten mensen vinden er een veilige plaats om een nieuw bestaan op te bouwen. Rond de nederzetting worden bossen ontgonnen en akkers aangelegd.
Anne-Marie organiseert onderwijs, landbouw en vakopleidingen, zodat honderden slaven zich kunnen voorbereiden op een leven in vrijheid en zelfstandigheid. Daarmee geeft zij gehoor aan een verzoek van de Franse regering, die zoekt naar manieren om slaven voor te bereiden op hun toekomstige emancipatie. In een tijd waarin de slavernij na de afschaffing tijdens de Franse Revolutie onder keizer Napoleon Bonaparte opnieuw was ingevoerd, is haar aanpak uitzonderlijk vooruitstrevend. Ondanks felle kritiek en tegenwerking blijft Anne-Marie overtuigd dat zij, zoals zij zelf zegt, ‘het werk van God’ verricht.
Het succes van Mana wekt al snel afgunst bij kolonisten die zich aan de monding van de rivier de Acarouany hebben gevestigd. Volgens de overlevering wordt zelfs een complot beraamd om Anne-Marie uit de weg te ruimen. Een bootsman zou haar tijdens een overtocht in het door krokodillen bevolkte water moeten laten vallen. Hij krijgt het echter niet over zijn hart om het plan uit te voeren.
Uiteindelijk dwingen de toenemende spanningen Anne-Marie in 1833 terug te keren naar Frankrijk. Daar wacht haar een nieuw conflict. De bisschop van Autun probeert de Congregatie van Saint-Joseph de Cluny onder zijn rechtstreeks gezag te brengen, terwijl Anne-Marie vastbesloten is de zelfstandigheid van haar congregatie te behouden.
Terug in Cluny roept Anne-Marie het Chapitre général bijeen. De statuten maakten het noodzakelijk tot nieuwe verkiezingen over te gaan. Op 15 oktober 1833 wordt zij unaniem herkozen als overste van Saint-Joseph.
"Ne vous tracassez de rien, allez doucement. Que le bon Dieu soit bien servi, le silence bien observé et tout sera dans la paix."
Anne-Marie
De strijd tegen de slavernij
In de winter van 1835-1836 keert Anne-Marie, ondanks alle tegenslagen, terug naar Mana. Op verzoek van de Franse regering neemt zij opnieuw de zorg op zich voor honderden slaven die worden voorbereid op een leven in vrijheid.
Aan haar zus Marie-Josèphe schrijft zij: ‘Morgen keer ik terug naar onze dierbare eenzaamheid, Mana. Hoe houd ik van dit klimaat en van die eenzaamheid, waar het zo gemakkelijk zou zijn volmaakt te werken.’ En aan haar zus Rosalie op Île Bourbon vertrouwt zij toe: ‘Dit alles is voor onze dierbare Afrikanen, die vrij uit de boezem van de slavernij zullen worden geboren.’ Haar woorden laten zien hoe diep zij zich verbonden voelt met de bevolking van Afrika en Frans-Guyana.
Toch blijkt haar ideaal moeilijk vol te houden. De leefgemeenschap in Mana krijgt te maken met steeds grotere problemen en in augustus 1843 keert Anne-Marie uitgeput en teleurgesteld terug naar Frankrijk. Na een bezoek aan haar geboorteplaats Chamblanc, waar twee zusters voor haar inmiddels hoogbejaarde vader zorgen, reist zij door naar Cluny.
Intussen woedt in Frankrijk het maatschappelijke debat over de afschaffing van de slavernij. Anne-Marie levert daaraan een belangrijke bijdrage met een rapport waarin zij de onmenselijkheid van de slavernij scherp veroordeelt en, gebaseerd op haar ervaringen in Mana, concrete voorstellen doet voor de emancipatie van de slaven.
Anne-Marie Javouhey en de afschaffing van de slavernij
De betekenis van Anne-Marie Javouhey reikt verder dan de geschiedenis van haar congregatie.
Sinds 2004 maakt zij deel uit van de Route des Abolitions de l’Esclavage (Route van de afschaffing van de slavernij), een internationaal erfgoedproject dat wordt ondersteund door de Verenigde Naties en UNESCO. Daarmee wordt zij erkend als een van de belangrijke personen die hebben bijgedragen aan de strijd tegen de slavernij.
Anne-Marie was ervan overtuigd dat alle mensen, als kinderen van dezelfde God, fundamenteel gelijk zijn. Voor haar betekende de afschaffing van de slavernij méér dan alleen het verlenen van vrijheid. Vrijheid moest ook geleerd kunnen worden. Daarom gaf zij voormalige slaven onderwijs, een vakopleiding en de mogelijkheid om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Met haar experiment in Mana liet zij zien dat mannen en vrouwen die jarenlang in slavernij hadden geleefd, zich met de juiste begeleiding volwaardig konden ontwikkelen en een eigen plaats in de samenleving konden innemen. Daarmee leverde zij de Franse regering een krachtig argument vóór de emancipatie van de slaven.
Anne-Marie stond hierin niet alleen. Samen met andere voorvechters van de afschaffing van de slavernij, onder wie de inwoners van Champagney, de abt Henri Grégoire, de zwarte leider Toussaint Louverture en Étienne Maynaud de Lavaux uit Cormatin, behoort zij tot de mensen die een beslissende bijdrage leverden aan de strijd voor vrijheid en menselijke waardigheid.
Alphonse de Lamartine
Op 21 juni 1835 brengt Alphonse de Lamartine gunstig verslag uit aan het ‘ministère de la Marine’, dat is belast met de Franse koloniën, over haar werk. De Lamartine is zelf ook een vurig voorstander van afschaffing van de slavernij. De Lamartine is dan al een bekend dichter en lid van het Franse parlement.
De laatste jaren
Na haar terugkeer vestigt Anne-Marie zich in Parijs, waar inmiddels het noviciaat van de congregatie is ondergebracht. Vier jaar later wordt ook het moederhuis van de Congrégation des Sœurs de Saint-Joseph de Cluny naar de hoofdstad verplaatst, in de Rue Saint-Jacques.
Hoewel Anne-Marie inmiddels op leeftijd is, blijft zij zich onvermoeibaar inzetten. Tijdens de Revolutie van 1848 organiseren zij en haar zusters een soort ambulancebrigade om gewonden te verzorgen die tijdens de onlusten zijn gevallen.
Op 67-jarige leeftijd schrijft zij: ‘Ik ben oud en kan niet meer schrijven.’ Toch voegt zij eraan toe dat haar hart niet oud is geworden en dat haar verlangen naar heiligheid nog altijd even sterk is als in haar jeugd. Tot het einde van haar leven blijft Anne-Marie trouw aan de idealen die haar al als jong meisje hadden bezield: dienstbaarheid, onderwijs en zorg voor de meest kwetsbaren.
"Dieu ne se communique que dans la paix : c'est là ma boussole, elle ne trompe jamais."
"God communiceert alleen in vrede: dit is mijn kompas, ze bedriegt nooit.”Anne-Marie, 1846 in een brief aan de overste van Pondicherry
Een blijvende nalatenschap
EWanneer Anne-Marie Javouhey op 15 juli 1851 overlijdt, laat zij een indrukwekkend levenswerk na. De Congrégation des Sœurs de Saint-Joseph de Cluny telt dan 142 huizen, waarvan 73 in Frankrijk. De overige zijn verspreid over Europa, Afrika, Azië, Noord- en Zuid-Amerika. In totaal behoren 1.221 zusters tot de congregatie. Wat begon als de droom van een jonge vrouw uit Chamblanc is uitgegroeid tot een wereldwijde missionaire gemeenschap, gewijd aan onderwijs, gezondheidszorg en de zorg voor de meest kwetsbaren.
Overeenkomstig haar laatste wens wordt Anne-Marie na haar overlijden begraven in de crypte van de kapel van het Sint-Jozefklooster in Senlis, waar zich op dat moment het moederhuis van de congregatie bevindt. Na haar zaligverklaring in 1950 worden haar stoffelijke resten overgebracht naar de beroemde begraafplaats Père-Lachaise in Parijs, waar zij nog altijd rusten.
Vóór haar herbegrafenis wordt haar hart uitgenomen en als relikwie bewaard in het moederhuis van de Zusters van Sint-Jozef van Cluny. Zo blijven haar lichamelijke én geestelijke nalatenschap tot op de dag van vandaag met de congregatie verbonden.
Over het leven van Anne-Marie Javouhey
Anne-Marie Javouhey heeft haar leven lang geen roem gezocht. Haar drijfveer was steeds dezelfde: het evangelie handen en voeten geven door onderwijs, zorg en dienstbaarheid aan de meest kwetsbaren. Toch bleef haar werk niet onopgemerkt. In de rooms-katholieke kerk wordt zij vereerd als een vrouw die haar tijd ver vooruit was. Zij streed voor goed onderwijs voor arme kinderen, zette zich in voor zieken, gevangenen en oorlogsweduwen en was een van de eerste religieuze vrouwen die zich actief inzette voor de voorbereiding van slaven op een leven in vrijheid. Haar overtuiging dat Afrikanen zelf de toekomst van de Kerk in Afrika moesten dragen, was in de negentiende eeuw uitzonderlijk vooruitstrevend.
Op 15 oktober 1950 is Anne-Marie Javouhey door paus Pius XII zalig verklaard. Twee weken later volgde een indrukwekkende processie ter ere van haar zaligverklaring, waarin ook haar inzet voor de bevrijding en emancipatie van slaven werd herdacht. Haar sterfdag, 15 juli, kreeg later een plaats op de katholieke heiligenkalender als haar liturgische feestdag.
Ruim anderhalve eeuw na haar overlijden leeft haar werk nog altijd voort. De Congrégation des Sœurs de Saint-Joseph de Cluny telt tegenwoordig ongeveer 2.400 zusters, werkzaam in 56 landen op alle vijf de continenten. Van de Verenigde Staten en Canada tot India, Senegal en Ierland zetten zij zich in voor onderwijs, gezondheidszorg, sociale zorg en missionair werk. Ook in Frankrijk is de congregatie nog altijd aanwezig, met meer dan dertig huizen. Daarmee blijft de geest van Anne-Marie Javouhey wereldwijd zichtbaar in het werk van de gemeenschap die zij ruim tweehonderd jaar geleden stichtte.
Wie vandaag door Zuid-Bourgondië reist, kan Anne-Marie nog op verschillende plaatsen ontmoeten. In haar geboorteplaats Chamblanc wordt haar herinnering levend gehouden en in Cluny, waar zij in 1812 het moederhuis van haar congregatie vestigde, zijn nog altijd sporen te vinden van haar levenswerk.
Daarmee is Anne-Marie Javouhey niet alleen een belangrijke figuur uit de kerkgeschiedenis, maar ook een vrouw die onlosmakelijk verbonden is met de geschiedenis van de Bourgogne. Haar leven laat zien hoe één vastberaden persoon, gedreven door geloof en medemenselijkheid, het leven van duizenden mensen over de hele wereld blijvend kan veranderen.
verder lezen op ZuidBourgogne.nl
Martinique
In 1902 komen op Martinique drieëndertig zusters om bij de uitbarsting van de Pelée, een actieve vulkaan in het noorden van het eiland Martinique. Bij deze uitbarsting komen bijna 30.000 mensen om het leven.
Notre-Dame de Cluny
In de Notre-Dame van Cluny vind je een houten beeldsnijwerk van Anne-Marie Javouhey. Wanneer je de kerk door het hoofdportaal binnenkomt, zie je het op de muur aan je rechterhand.
Het is een bijzonder houten beeldhouwwerk, alsof Anne-Marie, met aan haar hand een slavenkind dat bevrijd is, de Notre-Dame komt binnenvaren.
bronnen
Saint modernes et contemporains; J. Guillemin
Anne Marie Javouhey; André Merlaud
https://sj-cluny.org
www.gallica.fr
www.wikipedia.fr
meest recente blogs zuidbourgogne.nl
Lys: een dorp van kunst en ambacht
Chevalier d’Éon: deel 2
Chevalier d’Éon: de Bourgondiër die een heel continent wist te misleiden
Berzé-le-Châtel: de stenen schildwacht van Cluny
De man die alles wilde begrijpen: Leonardo da Vinci in Lab71 in Dompierre-les-Ormes
Een kosmisch duel tekent het landschap van Zuid-Bourgondië
Saint-Laurent-en-Brionnais: een dorp, een toren en duizend jaar geschiedenis
Het vergeten verhaal van Madame d’Artagnan: de vrouw die haar eigen leven koos
De musketier, de mythe en het mysterie van Maastricht
Tussen Cluny en Compostela: de verborgen parel van Taizé
Nicolas Rolin en Guigone de Salins: macht en barmhartigheid in Bourgondië